In de slavenschepen van K’zan is de aardse bevolking weggevoerd. Slechts een kleine, kwetsbare groep ontkwam. Voor het eerst overleven niet de sterksten, maar de zwaksten... Hij had zich afgevraagd waarom. Hij had gezien dat ze in de schaduwen bleven en de stegen verkozen boven de straten. Pleinen meden ze; open ruimte leek voor hen een bron van angst. Hun voedsel verzamelden ze in de sloppen en de kelderruimtes: schimmels, wortels, grassen en de kleine dieren die er hun eigen voedsel zochten. Ze leefden in de schemer. Maar ze leefde. En ze hadden licht. Toen de tweede nacht was gevallen, had hij zich verwonderd over het schijnsel dat uit hun kelders straalde. Pas in de ochtendschemer van de volgende dag had hij de bron ervan gezien: een kind was uit een deur geglipt, en in een steeg verdwenen, met een bevende blauwe vlam op zijn hand. Welke vergeten gaven bezit dit kleine, verscholen volk? Hoe slaagt het erin te blijven bestaan? Ongemerkt wordt het gadegeslagen door dienaren van de K’zan. Maar nu, na drie eeuwen, moeten deze dienaren kiezen tussen hun eigen leven en het broze, stille, andere, dat ze zo lang hebben gespaard.
