Toen Karik en Walja in het laboratorium van hun vriend, de Professor, op diens komst zaten te wachten, werd hun aandacht getrokken door een glas met een glanzende vloeistof er in. De bloeistof rook zo heerlijk, dat ze er van proefden en toen ze er eenmaal van geproefd hadden, dronken ze er van. Daarna gingen ze op de vensterbank zitten... en toen .... Toen gebeurde er iets heel vreemds. Een water juffer, die op de vensterbank zat, werd plotseling heel groot. Zo leek het tenminste. In werkelijkheid werden Karik en Walje heel, héél klein -- dat kwam doordat ze van die wonderlijke vloeistof hadden gedronken.
Zo klommen op de rug van de waterjuffer. De Professor kwam het laboratorium binnen - en wég vloog de waterjuffer, met de kinderen op zijn rug, naar de wonderbaarlijke wereld der insecten. De Professor begreep al snel, wat er was gebeurd. Hij dronk óók van de vloeistof, ging de kinderen achterna en vond ze. Gedrieën beleefden ze honderd gevaarlijke en vaak koddige avonturen - en zagen duizend interessante dingen, tot ze eindelijk naar de wereld der grote mensen terugkeerden.





