Boek/1049344211

Marcus, het zoontje van de boswachter, zit onder een grote struik te schuilen, want het is ineens heel hard gaan regenen. Een pad, die ook niets van al die nattigheid moet hebben, komt aanspringen en verdwijnt met een plof in een hol. Hee, denkt Marcus, daar kan ik ook weleens een kijkje gaan nemen. Hij laat zich door de opening zakken en komt in een onderaardse gang met links en rechts hele rijen flessen. Plots ziet hij een ebogen man met een lantaarntje voor zich uit sloffen. Hij volgt hem voorzichtig en komt in een heel oud kasteel met erg vreemde bewoners: Riplap, de kok, die altijd en eeuwig soep loopt te morsen - Bertram, de boze huisknecht, die iedereen ringeloort - Peperzak, de baron, die hopeloos met zich laat sollen - Flessentrekker, die de scepter over de wijnkelder zwaait - Gombal en Poppenschuim, twee bedienden, die niets liever doen dan knikkeren - en Inktlap, de schrandere hond van de portier, die voor zijn baas alle deuren en hekken open en dicht doet. In het kasteel met de ongedweilde gangen, waar iedereen de tijd verdoet met knobbelen, kniezen, knagen en knikkebollen, waar de taarten beschimmelen en de fornuizen verroesten, beleeft Marcus, die van de baron de naam Marcus Napoleon krijgt, de gekste dingen. Met behulp van een hoeveelheid 'kevernevel' weet hij de boze Bertram tenslotte tot inkeer te brengen en baron Peperzak de Negentiende het heft weer in handen te geven.