Op het eerste gezicht lijkt het dat de schrijvers uit deze bundel niets met elkaar hebben te maken. Maar bij nader toezien is het opmerkelijk hoeveel lijnen er tussen hen getrokken worden, van de jongste auteur: Hella Haasse tot de oudste: Louis Couperus toe. Zo zijn bijvoorbeeld alle delen van ons (vroegere) rijk aanwezig in Antoon Coolen, de grote schrijver van het Brabantse volksleven, in Maria Dermoût die ons in haar fijnzinnig proza vertelt van Indië, en in Albert Helman, de Surinamer. Bertus Aafjes, de dichter, is door zijn zuidelijke reizen verbonden met Couperus en met Arthur van Schendel, die beiden tot onze belangrijkste prozaïsten gerekend moeten worden. Van Schendel, de leraar Engels, leidt ons als vanzelf naar zijn jongere collega voor de Franse taal, Anna Blaman. Jan J. Slauerhoff en Simon Vestdijk studeerden beiden medicijnen en deden als scheepsarts hun eerste praktijk. Slauerhoff heeft in deze functie een groot deel van zijn leven doorgebracht op de Aziatische zeeën, terwijl daarentegen Vestdijk zich na één reis terugtrok om zich geheel te wijden aan literatuur en muziek. Langs deze lijn komen wij dan terecht bij Aart van der Leeuw, die rechten studeerde, maar na korte tijd zijn betrekking bij een verzekeringsmaatschappij opgaf om eveneens de schone letteren te kunnen beoefenen. Van der Leeuw is ook niet de enige jurist in dit gezelschap: hij moet deze plaats delen met F. Bordewijk. Niet alle auteurs uit dit boek hebben hier een plaats kunnen vinden, maar zij die genoemd werden tonen wel de grote veelzijdigheid van de dienaren van wie de Muzen voor hun werk wensen gebruikt te maken.
