Dante en Vergilius beklimmen de Louteringsberg, die een eiland aan de andere kant van de aarde vormt (zie Wereldbeeld, boven). Op deze berg, die vergelijkbaar is met het vagevuur, worden de boetzamen gelouterd van hun zonden voor ze het paradijs mogen betreden.
Overigens was het bestaan van zoiets als het vagevuur nog geen kerkelijk dogma in Dantes tijd, maar het idee leefde sterk in het volksgeloof.
Purgatorio is het meest persoonlijke deel van de Komedie. Op een gegeven moment merkt Dante bijvoorbeeld op dat hij de Louteringsberg weer zal zien en er nog veel tijd zal moeten doorbrengen. Purgatorio is een allegorie voor Dantes eigen loutering, die hem terugbracht op het "rechte pad" (la diritta via, Inferno 1:3).
Aan de voet van de Louteringsberg ontmoet Dante Cato de jongere, die de toegang tot het eiland beheert (canto 1). Hoewel Cato de aartsvijand van Dante's held Julius Caesar was, en hij zelfmoord heeft gepleegd, bevindt hij zich niet in de hel. Waarschijnlijk is dit omdat hij ook in de Aeneis als rechter in de onderwereld optreedt.
In canto 2 arriveert een sloep met zielen, onder wie Dante's vriend Casella, die gedichten van hem op muziek had gezet. Opvallend is dat hij al een tijd dood is, en pas naar hier komt na het ontvangen van een aflaat; Dante beschouwde de handel in aflaten als simonie.Aan de voet van de berg bevinden zich vier groepen zondaars die maar moeten wachten tot zij toegelaten worden. Dit zijn de geëxcommuniceerden (canto 3), zij die laat tot berouw kwamen (canto 4), zij die geen absolutie ontvangen hebben (canto 5) en heersers die te veel tijd aan wereldse zaken besteed hebben (canto 7-8).
Pas in canto 9 komt Dante op de werkelijke Louteringsberg aan, door een poort die bewaakt wordt door een engel.
