Er leefde eens een arme kleermaker met een zoon die Aladdin heette. Dat was een onverschillige en luie jongen. Hij voerde niets uit en speelde de hele dag op straat. Daar had zijn vader zoveel verdriet van, dat hij er van doodging. Hoe zijn moeder ook huilde en smeekte, Aladdin beterde zijn leven niet. Op zekere dag, toen Aladdin net zoals altijd op straat speelde, vroeg een vreemdeling hem hoe oud hij was en of hij niet de zoon was van Mustapha de kleermaker. "Ja, dat ben ik, meneer," antwoordde Aladdin, "maar mijn vader is al lang geleden gestorven."
Bij deze woorden viel de vreemdeling, die een beroemde Afrikaanse tovenaar was, hem om de hals. Hij kuste hem en zei: "Ik ben je oom. Ik herkende je, omdat je zoveel op mijn broer lijkt. Ga vlug naar je moeder en vertel haar dat ik er aankom."
Aladdin holde naar huis en vertelde zijn moeder wat er was gebeurd. "Ja maar kind," zei zij, "je hebt helemaal geen oom. Je vader had geen broers en ik heb ze ook niet." Toch maakte zij een maaltijd klaar en ze liet Aladdin de man halen die zich zelf zijn oom had ge-noemd. Deze bracht een heleboel wijn en fruit mee. Toen hij binnen was, kuste hij de plaats waar Mustapha altijd had gezeten. Tegen Aladdins moeder zei hij, dat zij het maar niet vreemd moest vinden, dat zij hem nooit eerder had gezien, omdat hij veertig jaar in het buitenland was geweest.
