Boek/263844861

Mariken gaat op een dag boodschappen doen voor Gijsbrecht, haar oom, in Nijmegen en als het aan het eind van de dag te laat is om nog terug te gaan gaat ze langs haar tante (moeie) om daar onderdak te vragen. Moeie heeft net die dag ruzie gemaakt over Adolf, wiens partij zij had gekozen. Ze lijkt 'een verwoede duvelinne' Haar tante wil haar niet binnenlaten omdat Mariken, volgens haar, de hele dag in de herberg heeft zitten vrijen met 'jan en alleman'. Mariken gaat dan maar weg, ze gaat huilend langs de kant van de weg zitten terwijl ze ondertussen zegt dat het haar niet uitmaakt aan wie ze zichzelf verkoopt, God of de Duivel. Dan komt de Duivel, in de gedaante van een man met een oog langs. Mariken weet dat hij de duivel is, als hij haar zijn naam zegt, 'Moenen mer der eender oge, die wel bekend es met veel goede gezellen'. Hij bood haar aan 'de 7 kunsten' en de nigremantie (kunst om Duivel te bezweren) te leren, maar in ruil daarvoor moest Mariken haar naam en het bekruisen opgeven. Mariken (Emmiken) doet dat uiterlijk. Maar ze bid nog steeds tot Maria. Dan gaan ze samen weg, naar Antwerpen.