Boek/2981

Een klaagzang over de verloren onschuld van de mensheid, een kroniek van wanhoop en een loflied op hoop, vormgegeven in een opstand van ongeborenen. In een land dat Chili zou kunnen zijn, in een tijd die de onze zou kunen zijn, weigert de zoon van Manuel Sendero ter wereld te komen. Hij vindt medestanders. Zolang er geen gerechtigheid bestaat weigeren de ongeborenen hun geboorte en ontkennen daarmee hun toekomst. Zij leiden een gezamelijk "ondergronds" bestaan tot sommigen van hen zeggen dat de wereld alleen veranderd kan worden als je er deel van uitmaakt. Eén voor één besluiten ze de moederschoot te verlaten, maar dan vergeten ze wat ze wisten en worden dat wat ze nooit wilden zijn. De zoon van Manuel Sendero blijft achter en het is de vraag of hij ooit geboren zal worden.