Boek/3525

Weinigen weten dat de eerste hoofdstukken van Henriëtte van Eyk's roman Gabriël is verschenen in het literaire tijdschrift De Vrije Bladen van augustus 1932, dus een paar maanden vóór de publikatie van de, nu bijna klassiek geworden, Kleine Parade in november van datzelfde jaar.

Niettegenstaande er sindsdien vele andere boeken van Henriëtte van Eyk verschenen zijn, is Gabriël - bekroond met de Van der Hoogtprijs 1937 - het boek gebleven, dat de schrijfster het naast aan het hart ligt en het zal haar daarom zeker veel genoegen doen, dat nu de elfde druk van deze roman in een zo aantrekkelijk vorm het publiek wordt aangeboden.

Het boek is in weerwil van zijn talloze ogenschijnlijke zinloze, maar in wezen zinvolle dwaasheden in vele opzichten het aandoenlijkste werk, dat de auteur gemaakt heeft. Het is een sprookje vol wonderlijke wezens, met dieren die spreken en dingen die gedachten uitwisselen, maar het is een sprookje, waarvan de handeling plaats grijpt midden in de keiharde werkelijkheid van de hedendaagse maatschappij. Het is een verhaal van een onschuldig en kinderlijk onbevangen wezen, het magere mannetje Gabriël, dat van de ene verbazing en ontnuchtering in de andere valt, in een wereld, die de zijne niet is en ook nooit de zijne worden zal. Een kind, dat ergens anders thuishoort, hoog in de blauwe hemel en dicht bij de zon: een kind, dat zijn afkomst en zending niet vergeten kan en door een verworden wereld loopt als een schichtige kat in een vreemd pakhuis.

Een gevallen zonnestraal, die door de Zon naar de aarde is gezonden 'Om licht en warmte te verspreiden tot half zes', maar die door een onberaden daad z'n roeping ontrouw wordt en dientengevolge door de Zon verstoren wordt.