Boek/4107

In het jaar 109 van de Nieuwe Tijdrekening (2077 n. Chr.) maakt een jonge Amerikaan in Wenen kennis met het "oude" Europa. Hij vindt er aanvankelijk weinig dat hij niet reeds in andere delen van de totalitaire, wereldomvattende "Autonome Mensheidsmaatschappij" heeft gezien. Toen John P. Brown werd geboren, was de wereldrevolutie al lang geconsolideerd. De sporen van het verleden zijn zo grondig uitgewist, dat de jongeman zich geen andere wereld kan voorstellen dan die van het "wetenschappelijke tijdperk", met zijn universele dictatuur van het BURO, dat alle gezag, ook het goddelijke, aan zich heeft getrokken. Zijn familie behoort tot de "nieuwe adel", de kaste waaruit de nieuwe leiders voortkomen en het spreekt voor hem vanzelf, dat zijn verwanten hem voor een hoge politieke functie willen hebben bestemd. Tot zijn opleiding behoren vele cursussen en excursies in alle delen van de wereld, en wat hij op de scholen heeft geleerd, wordt hem daarbij telkens weer bevestigd. "zorg dat je iedereen, die gevaarlijk voor je kan worden, bijtijds ter liquidatie bij het BURO aanbrengt, als je zelf niet geliquideerd wilt worden": dat is de moraal van de Nieuwe Tijd, voor de gehele aarde, die door een IJzeren Gordijn hermetisch is afgesloten van alle vrijheid en van ieder geloof, dat geen onvoorwaardelijke geloof in het BURO is. Lezingen over de misdaden van de "geliquideerde" Kerk; bezoeken aan het "homodroom", waar moderne gladiatoren bloedige gevechten leveren tegen elkaar en tegen verscheurende dieren; een vliegtochtje naar Rome, waar het zogenaamde graf van de zogenaamde laatste Paus wordt getoond, als bewijs van de definitieve ondergang van het Christendom; excursies naar inrichtingen, waar "specialisten" worden geteeld door kunstmatige bevruchting en opgeleid door zware training; aan een soort paradijs, vaar vooraanstaande personages een aangename dood kunnen vinden, als ze hebben afgedaan; aan kampen, waar ongewenste elementen als dwangarbeiders langzaam worden geliquideerd, of waar kunstenaars als recruten worden gedrild, dat zijn allemaal dingen die deze cursist al min of meer kent.

Maar tijdens zijn zevendaagse bezoek aan Europa gaat hij dat alles allengs met andere ogen zien, Hij ontmoet steeds meer mensen, die anders zijn dan de "eenheidsmens", zoals deze in de plannen van het BURO past. Anders vooral is Tanja Maier, de jonge vrouw, die hem als begeleidster is toegewezen en die hij daarom aanvankelijk voor een spionne van het BURO houdt. Tot hij gaat begrijpen dat Tanja behoort tot de geheime, verfoeide en bloedige vervolgde secte der Christenen, waardoor zij nog veel gevaarlijker voor hem is.

Eerst als hij weet dat Tanja, als martelares, de langzame liquidatie in een strafkamp tegemoet gaat, en hij er toch niet toe kan komen haar onverhoeds neet te schieten om haar voor dat lijden te "behoeden", weet hij dat hij zelf ook reeds "onder de Wet" staat. Tanja's geloof is het zijne geworden, en ook voor hem is de "Achtste Dag" begonnen; de dag van de vrije mens, die geroepen is om in de vervolgde Kerk het verlossingswerk van God voort te zetten.

"De achtste dag" van Hermann Gohde, achter welk pseudoniem zich een bekend Oostenrijks historicus verbergt, is overigens niet alleen een visionaire verbeelding van een mogelijke toekomst. Het is een hartstochtelijk gericht over ons aller verleden en heden, een profetische waarschuwing, die alle Europese Christenen ernstig zouden moeten overwegen.