Boek/5260
Een man trekt langs de ruïnes in de toendra. Hij is gehuld in dierenvellen waaronder hij een groot pistool beschermt tegen de ijzige kou. Zijn voedsel komt uit het ijs: een blik perziken. Dan roept een vreemde, machinale stem hem aan vanuit de lucht: ‘Verschoppeling.. grensbewoner.. man van het ijs.. kom te voorschijn!’ Maar de man van het ijs geeft zich niet zonder slag of stoot over. Het geluid van de schoten dringt door de ruïnes, en de stinkende walm van verschroeid plastic vult de lege ruimten. Het onmogelijke is gebeurd: de man van het ijs heeft de twee uit de machine vernietigd!
