Huascar, een Peruaanse jongen, gaat op weg naar de stad om de Huaco te verkopen, een beeldje van een poema dat hij heeft opgegraven in de dodenvallei bij zijn dorp. Met het geld wil hij een dokter voor z'n zieke zusje Matil betalen. Maar de Huaco bezit een magische kracht die verder reikt dan Huascar denkt. Door die kracht wordt hij teruggezogen naar de tijd van de Inca's en hun geheimzinnige beschaving. Zo komt hij in aanraking met zijn tegenhanger uit vroeger tijden. Wie is die andere Huascar, die aan een vlieger boven de pampa zweeft? Waarom moeten beide jongens dezelfde opdracht vervullen, en wie zijn de priesters die gebedsballonnen oplaten voor het oog van de gouden god? En wat is de rol van die andere Matil, die begraven ligt in de dodenvallei?
