Ercole Sabense, een jong ltaliaansch soldaat, wordt in zijn loopgraaf door gifgas overvallen.
‘Hij dronk den dood in als een geweldige beker absinth. Merkwaardig, dat de dood niet onaangenamer was. Hij kwam als een prikkelende wellust, zooals hij nooit te voren had gekend. Een hyacinthengeur, die steeg tot een intensiteit, een reinheid, een sterkte, alsof hij zijn neusbeen wilde splijten tot hoog in zijn hersens ... Eén ster zette den hemel in brand, zoodat deze éen groote vlam werd, een deur werd opengeslagen naar een reusachtigen smeltoven die hem inzoog als een vlokje stof ...’ Doch wanneer hij weer bijkomt, ‘als een snaar van smart waar het leven langs streek als met één vinger’ merkt hij dat hij niet is gestorven maar aan boord is van een eigenaardig vaartuig, dat bezig is naar Mars te ‘vallen’. Eerst kan Ercole niet gelooven dat hij zich in werkelijkheid van de aarde verwijdert; hij meent in een bioscoop-atelier te zijn, wanneer hij in de z.g. aardekamer komt, waar men een prachtig gezicht heeft op de zich snel verwijderende aarde. ‘Plotseling was hij georiënteerd, ja, dat moesten de meren van Noord-Italië zijn, wier vormen hij uit zijn hoofd kende. Zijn blik was meteen thuis en begon bekende lijnen te zoeken op de geweldige kaart. Plastisch sprongen vlakken vooruit gevuld met kleuren, doorruischt met rivieren, af en toe met meren als onregelmatige paarlen, met merkwaardige knoopen, die op mineraal kristallen leken: dat moesten steden zijn. Ja dáár onder geweldige, witbeplekte bergmuren, dicht bij de meren, dat groote vertakte ruwe kristal, als een stuk zwavelbloem, moest Milaan zijn ... Bewogen greep hij naar zijn voorhoofd en vond op het reusachtige projectievlak zelfs de eeuwige stad Rome... Het was begoocheling. Hij was bij de generale proef van een prachtnummer: de aarde gezien in maan- of planeetperspektief’.
Langzamerhand moet Ercole natuurlijk wel gelooven dat hij op een vreemd hemelschip is met een bemanning van allerlei internationale elementen ‘die elkaar gevonden hadden in een gemeenschappelijke ontevredenheid met de aardsche verhoudingen, die ze hadden verlaten’.
Interessant zijn de problemen die zich aan Ercole opdringen op zijn tocht door de ruimte, wanneer de aarde als een ‘roode lantaarn in de haven die men verlaten heeft’ verdwijnt en ze ‘het oer-oude Sibyllengezicht van Mars, waarop ze het lijnenspel zagen groeien met steeds grootere duidelijkheid’, tegemoet vallen. ‘Welken heilige moest Ercole Sabene aanroepen in dezen nood? Hij was immers duizenden en duizenden mijlen verwijderd van zijn aardsche beschermers. Wat was er van hun altaar geworden, hier, in de alles-verterende hemelwoestijn? …
