De tienjarige Jan vindt in de werkplaats van zijn vader, die timmerman is, tussen de houtkrullen een schaakstuk: Een zwart paard. Tot zijn verbazing leeft het paard en kan het spreken. Van een Jongen met een Toverpaard Hij stopt het in zijn zak en geeft het te eten. Dan komt er een man in de werkplaats, die Jan's vader de opdracht gegeven heeft een doos voor zijn schaakstukken te maken. Hij is woedend als hij merkt dat het zwarte paard verdwenen is. Jan neemt het paard in zijn zak mee naar school en hij is bang als hij merkt dat de man hem volgt.
De man blijkt de tovenaar Merijn te zijn. Hij wil het paard hebben. Als het het paard echter lukt om drie dagen uit de handen van Merijn te blijven, zal hij groot worden en gouden vleugels krijgen waarmee hij weg kan vliegen. Net op tijd, midden in de schoolklas, gebeurt dat. Jan klimt op zijn rug en samen ontsnappen ze aan tovenaar Merijn.
Ze gaan op weg naar verre landen. Onderweg tovert het paard, door twee maal op de grond te stampen, gedekte tafels met heerlijk eten en drinken, zodat ze geen honger lijden. Die toverkracht verliest het paard, als Jan onwaarheden vertelt over het paard tegen mensen die op het land werken. Nu
