Als Kapitein Hein Stavast op een van de zeven wereldzeeën zijn grote reizen maakt, zijn zijn kinderen Parel, Pluis en Krekel in de kost bij juffrouw Houtepin, die, allesbehalve vriendelijk voor hen is. Zij heeft altijd een slecht-weer-bui, de kinderen krijgen beroerd-weer-eten en ’n maartse-bui-behandeling. Op ’n avond, als de kinderen weer eens direct na het eten naar zolder zijn gestuurd waar ze moeten slapen, herinnert Pluis zich dat zij haar sterrenboek beneden heeft laten liggen. Zij sluipt stilletjes naar beneden en ziet dan dat de deur van een kamer die altijd op slot was, nu open staat. De kamer is geheel leeg en donker en tussen de openstaande balkondeuren ziet zij, afgetekend tegen de met sterren bezaaide hemel, ’n donkere figuur staan in zeemanskleren en met een zuidwester op. Pluis is, merkwaardig, niet bang en vertelt de vreemde figuur dat haar vader kapitein is op de IJzeren Hein. ‘Ik ben van de sterren’, is het raadselachtige antwoord, ‘mijn schip vaart langs de hemel. Ik ben de schipper van de Argo.’ Dan hangt de mysterieuze verschijning haar een ketting om, waaraan een zilveren hart hangt met ’n fonkelende ster. Hij fluistert haar vervolgens een spreuk in die zij goed moet onthouden. - Zo dikwijls zij in het sterrehart kijkt en de spreuk uitspreekt, zal zij de kracht vinden alle moeilijkheden te overwinnen. - En moeilijkheden komen er!
