Als Jasmijn niet bij haar neefje en nichtje, Eddie en Millie, kan logeren omdat zij kinkhoest hebben, wordt zij door tante Grietje naar juffrouw Brindel gebracht, die een paar kamers bewoont in een groot en deftig huis dat verder onbewoond is. Jasmijn moet in een kaal en leeg logeerkamertje op een kampeerbed slapen. Als zij niet in slaap kan komen, gaat ze op onderzoek uit in het lege huis, dat voor haar gevoel toch niet zo ‘leeg’ is. Zij komt in de kinderkamer waar een oude kast staat. Nieuwsgierig maakt zij de kast open en is stomverbaasd als zij aan de binnenzijde van de kastdeur meetstreepjes ziet met namen erachter en... haar eigen naam daar ook staat met een jaartal van 50 jaar geleden! En als dan de kastdeur dichtvalt begint een reeks avonturen die zo wonderlijk zijn dat Jasmijn denkt dat ze droomt. Zij knijpt in het velletje bovenop haar hand en het doet echt pijn! Dus slaapt ze niet! Het is allemaal echt! Zij draagt een hoed met een elastiekje, een stijf gesteven schort met ruches op de schouders; in de kamer ligt een oud vloerkleed, er is een tafelkleed met inktvlekken en een balletjesfranje, een ijzeren ledikant met glimmende koperen bollen en een hobbelpaard. Zij maakt kennis met opa die alsmaar ‘Zoete lieve Gerritje’ neuriet, met z’n dogkar naar een verkoping gaat en daar een Getijdenboek koopt dat hij niet kan lezen en dat in de 14e eeuw door monniken met een ganzeveer is geschreven. Dat kostbare, eeuwenoude boek verdwijnt spoorloos en voordat Jasmijn het terugvindt, beleeft zij vele avonturen die des te spannender zijn, omdat Jasmijn in ‘twee tijden tegelijk’ kan leven. Komt dat allemaal omdat Jasmijn uit de moerbeiboom is gevallen of...?
