Deze cyclische vertelling gaat over ons leven en onze tijd, onze wortels en onze mogelijke of onmogelijke toekomst. Voor ons zien we een klein eiland midden in de wereld. We lezen over de eilandbewoners, acht à tien generaties sterke, bijzondere mensen. De geslachten die komen en gaan in een tijdsbestek van ongeveer vierhonderd jaar. Zij leven samen in een vreedzame anarchie, sober, zwoegend om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Geboorte en dood wisselen elkaar af, zandverstuivingen en schipbreuk, bruiloften en begrafenissen, generatie na generatie. Maar dan versnelt de ontwikkeling, in een steeds grotere vaart afsturend op een waanzin die overeenkomt met die van onze eigen samenleving. 'Het eiland lijkt niet meer op een eiland, maar op een groot, vliegend gebouw met hoge schoorstenen, waaruit zwarte en zwavelgele rookdampen opstijgen'. Die hoge gebouwen overschaduwen de bomen die reikhalzend naar licht en lucht zoeken en hun wortels uitstrekken om meer water te kunnen krijgen. Maar het grondwater is verziekt. Dode, met olie besmeurde vogels spoelen aan op dat deel van het ooststrand dat men probeert open te houden voor de badgasten. Veel toeristen komen er niet meer. En tenslotte maakt de grote es, de wereldboom, zich los van de aarde die onleefbaar is geworden. Uit het gordijn van bladeren kijken kinderogen ons aan. Het heeft de schijn van werkelijkheid. Maar het verhaal is tegelijkertijd een sprookje, een reis door de tijd en door de ruimte.
