Boek/9371

Magere Chai kneep in de versnellingsbalg. De pootjes onder zijn zevenmijlslaarzen gingen over tot een ratelende galop. De gedimde gloeibollen van de drijvende stad versmolten tot een flakkerende streep karmijn, de nachtwind mepte in zijn gezicht, rukte aan zijn haren. 'Chai! Kijk omhoog! Een Hongkong roos!' In haar opwinding greep ze zich aan Chai's beide oren vast. 'Kijk dan toch!' Een hemel als een inktzwarte poel, krioelend van de satellieten. Achter de traag verschuivende lichtpuntjes hing een roos van ijzig noorderlicht. Zij opende haar kelk in adembenemende slow-motion, ontrolde meeldraden van kalm bliksemvuur. Magere Chai's mond zakte open. De roos hypnotiseerde hem. Zo perfect, zo kil. Een vinger van angst streek over zijn ruggegraat. De nachthemel is niet van ons. We hebben vijanden daar. 'Knijp je ogen dicht!' schreeuwde hij tegen zijn zusje. 'Het is een truc van de hemelingen!' Ondanks zijn angst, zijn groeiende zekerheid dat hij precies deed wat de hemelingen verwacht hadden, was Magere Chai niet in staat zijn blik los te rukken van de roos.