Persoon/-1405000427

Geboren te Deventer. Josef Cohen was een Nederlandse schrijver van romans, novelles, gedichten, toneelstukken en hoorspellen. Hij was de zoon van Hartog Cohen en Rebecca van Essen. Zijn vader had een meubelzaak en het gezin behoorde tot de redelijke gegoede middenstand. Het was een traditionele Joodse familie maar Cohen zette zich al in zijn jeugd af tegen de beperkingen die het geloof hem oplegde. David Cohen, tijdens de Tweede Wereldoorlog voorzitter van de Joodse Raad, was zijn oudste broer. In 1904 studeerde hij af aan de HBS en daarna studeerde hij Duitse taal en letterkunde in Göttingen. Vervolgens werd hij journalist bij De Telegraaf. In 1914 trouwde hij met Cornelia Maria Antoinette (Corry) van Hamersveld (1887-1964), een vrouw uit een hugenootse regentenfamilie. Dit gemengde huwelijk stuitte in beide families op verzet. Hetzelfde jaar werd hij directeur van de Openbare Leeszaal te Groningen. Het echtpaar kreeg drie kinderen; een doodgeboren dochter (1921), microbioloog en directeur van het RIVM Hans Herman (1923-2020) en tekstschrijfster Cornelia Riwka (1925-1976). Hij debuteerde met de roman 'Bar-mitswo' (1905) onder het pseudoniem Jitsgok ben Jangakauf. Dit boekje gaat over de seksuele ontdekkingen van een jongen van dertien aan de vooravond van zijn bar mitswa. Bijna de hele oplage van het boek werd opgekocht en verbrand, vermoedelijk door een van Cohens oudere broers. Er zijn nog maar twee exemplaren van bekend. In 1917 en 1920 publiceerde hij twee delen Nederlandse sagen en legenden. Deze hadden veel succes. Cohen was een invloedrijk man in het Groningse culturele leven en bezocht o.a. bijeenkomsten van de expressionistische kunstenaarsgroep 'De Ploeg'. In 1933 volgde hij Herman Poort op als literair criticus voor het socialistisch Volksblad voor Groningen en Drenthe. In 1938 trad hij toe tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Op 23 december 1940 werd hij ontslagen doordat zijn vader Joods was en in 1944 werd hij opgeroepen voor een werkkamp in Havelte, waardoor hij onderdook. Na de oorlog werd hij aangesteld als bibliograaf, zeer tegen zijn zin, omdat hij zijn oude functie niet terug kreeg. Na zijn pensioen in 1951 kreeg hij in 1954 de Hendrik de Vriesprijs van de gemeente Groningen voor zijn hele oeuvre. Zijn oeuvre bestaat uit moderne en historische romans, gedichten, korte verhalen, schoolboeken, sprookjesboeken, toneelstukken, hoorspelen en artikelen in tijdschriften. Vooral zijn bewerkingen van Nederlandse sagen en legenden waren in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw erg succesvol. Hij was in Nederland een van de eerste auteurs die een detectiveroman en een hoorspel schreef. Cohens werk is enkele keren bekroond maar hij werd als schrijver door de literatuurcritici van zijn tijd niet hoog gewaardeerd. Hij overleed door de gevolgen van een hartaanval te Groningen.