Geboren te Skien. Henrik Johan Ibsen was een Noors toneelschrijver en dichter. Ibsen werd geboren in een vooraanstaande Noorse koopmansfamilie. Toen hij acht jaar oud was ging zijn vader failliet en verkeerde het gezin in grote armoede. Deze armoede, de schande en de maatschappelijke uitsluiting hebben blijvende diepe indruk op hem gemaakt. Van 1844 tot 1850 ging hij in Grimstad, een klein dorpje ten zuiden van Skien, in de leer als apothekersassistent. In deze periode schreef hij zijn eerste gedichten. Hij werd aangeraakt door het revolutionaire élan, dat in 1848 door Europa waarde. Ongelukkig met zijn situatie ging hij Latijn leren voor het examen artium, dat hem toegang moest geven tot de universiteit. In de avond- en nachtelijke uren schreef hij zijn eerste toneelstuk, 'Catilina', dat zich vrijwel geheel 's nachts afspeelt. In 1850 ging hij naar Kristiania (het latere Oslo) om het stuk te laten drukken, wat uiteindelijk in eigen beheer gebeurde. Hij ging er aan de 'studentenfabriek' van Heltberg studeren. Hij rondde zijn studie echter niet af en verbond zich in 1851 aan het theater in Bergen, waarvoor hij stukken schreef. In 1853 maakte hij een reis naar Kopenhagen en Dresden, die van grote betekenis is geweest voor de vorming van zijn persoonlijkheid en zijn vakmanschap als schrijver. Van 1857 tot 1864 was hij theaterdirecteur in Kristiania, waar hij veel tegenwerking ondervond. In 1860 onderging hij een zware innerlijke crisis, waarna hij met de 'Komedie der liefde' (1862) zijn reeks van grote werken aanving. Hij boekte in 1864 zijn eerste grote succes met 'Kongs-Emnerne'. Maar toen zijn vaderland, ondanks de populariteit van de "Scandinavische gedachte", Denemarken niet te hulp schoot toen het door de Duitse Bond werd aangevallen, was hij zo teleurgesteld dat hij wegwilde. De Noorse schrijver Bjørnstjerne Bjørnson, vriend sinds hun kennismaking bij Heltberg, bezorgde hem een stipendium, waarmee hij in vrijwillige ballingschap ging en gedurende 27 jaar afwisselend in Italië en Duitsland verbleef. Leefde hij aanvankelijk onder armoedige omstandigheden, later deed hij dat als beroemd en welgesteld man. In 1891 keerde hij naar Noorwegen terug, waar hij in de hoofdstad woonde. In 1900 raakte hij door een hersenbloeding halfzijdig, in 1901 door een tweede, geheel verlamd. Desondanks zag hij nog kans aan hem voorgelezen Duitse vertalingen van zijn werk met kleine hoofdbewegingen te autoriseren. Overleden te Oslo. "Tvertimod!" ("Integendeel!") zou zijn laatste woord geweest zijn.
