Geboren te Palembang (Sumatra). Ze was het tweede kind van Jacobus de Clercq Zubli en Jeanne Jacobs. Op de afgelegen plantage waar ze haar jeugd doorbracht woonden weinig mensen en landgenoten al helemaal niet. Frida was op zichzelf aangewezen. Een aapje en een paard waren haar speelkameraden. Een op veertienjarige leeftijd beginnende doofheid versterkte haar isolement. Ze kreeg huisonderwijs van zowel haar vader als haar moeder, zodat ze toen het gezin in 1920 naar Nederland terugkeerde eindexamen HBS kon doen. Daarna wilde Frida het liefst geneeskunde studeren. Een dove dokter konden de hoogleraren zich moeilijk voorstellen. Ze werd niet toegelaten en koos uiteindelijk voor wis- en natuurkunde. Op de universiteit van Leiden leerde ze Jaap Mulder kennen. Om hem brak ze na haar kandidaatsexamen de studie af. Als ze dan zelf geen dokter kon worden, dan toch doktersvrouw! Haar huwelijk met Jaap Mulder bracht haar opnieuw in Indonesië. De jonge dokter werkte op een vijfjarig contract in het ziekenhuis van Le Bong Tandai (Sumatra). In 1931 keerden ze naar Nederland terug en vestigden zich met hun twee kinderen in Groningen. Jaap werd arts in het academisch ziekenhuis en Frida begon met schrijven, of beter gezegd publiceren. Schrijven deed ze al van jongs af aan. In het Nieuwsblad van het Noorden verschenen regelmatig de 'herinneringen van een rimboe-huisvrouw'. Ervaringen uit haar jeugd werkte ze om in 'Het Rimboekind' (1934) en 'De Blijde Stilte' (1937). Vooral het laatste boek heeft sterke autobiografische aspecten. Het gaat over de innerlijke groei van een jong meisje. 'Joep' lijkt als ze doof wordt het vertrouwen in de mensen en het geloof in de eigen idealen te verliezen. Uiteindelijk hervindt ze haar gevoel voor eigenwaarde en weet ze zich sterker dan in de tijd van voor haar doofheid.
^
F.J. de Clercq Zubli, de weg naar binnen.
Wie is er een held? Om die vraag te beantwoorden kijken we het liefst naar prestaties in de uiterlijke wereld: doorzettingsvermogen op wetenschappelijk gebied, de ontplooiing van een kunstzinnig talent, de strijd voor sociale rechtvaardigheid. Ieder mens kiest zijn idolen en het is goed ze te vereren. Hoe kan iemand die het grootse in zijn medemens niet ziet, zelf naar het grootste streven? Vanzelfsprekend bewonderen we moed en kijken we neer op lafheid. Maar: 'Slechts wie vrees kent verdedigt zich. Slechts waar angst is, is moed; zij zijn onafscheidelijk, zij zijn ... dezelfde.' Woorden uit een allegorie over de vrijheid van Frida de Clercq Zubli. Zij was een vrouw die niet in de buitenwereld maar in het eigen innerlijk op ontdekkingsreis ging. Een tocht die langs leed en verdriet uitkwam bij de bron van het leven.
Jeugd
Positieve levensvisie
"De Heilige Graal" en hulp aan onderduikers
De invloed van de oorlog
'Als een heldere bron'
Jeugd
Frida Jeanne de Clercq Zubli werd op 24 mei 1902 in Palembang (Sumatra) geboren. Ze was het tweede kind van Jacobus de Clercq Zubli en Jeanne Jacobs. Op de afgelegen plantage waar ze haar jeugd doorbracht woonden weinig mensen en landgenoten al helemaal niet. Frida was op zichzelf aangewezen. Een aapje en een paard waren haar speelkameraden.
Een op veertienjarige leeftijd beginnende doofheid versterkte haar isolement. Ze kreeg huisonderwijs van zowel haar vader als haar moeder, zodat ze toen het gezin in 1920 naar Nederland terugkeerde eindexamen HBS kon doen. Daarna wilde Frida het liefst geneeskunde studeren. Een dove dokter konden de hoogleraren zich moeilijk voorstellen. Ze werd niet toegelaten en koos uiteindelijk voor wis- en natuurkunde.
Op de universiteit van Leiden leerde ze Jaap Mulder kennen. Om hem brak ze na haar kandidaatsexamen de studie af. Als ze dan zelf geen dokter kon worden, dan toch doktersvrouw! Haar huwelijk met Jaap Mulder bracht haar opnieuw in Indonesië. De jonge dokter werkte op een vijfjarig contract in het ziekenhuis van Le Bong Tandai (Sumatra). In 1931 keerden ze naar Nederland terug en vestigden zich met hun twee kinderen in Groningen. Jaap werd arts in het academisch ziekenhuis en Frida begon met schrijven, of beter gezegd publiceren.
Schrijven deed ze al van jongs af aan. In het Nieuwsblad van het Noorden verschenen regelmatig de 'herinneringen van een rimboe-huisvrouw'. Ervaringen uit haar jeugd werkte ze om in 'Het Rimboekind' (1934) en 'De Blijde Stilte' (1937). Vooral het laatste boek heeft sterke autobiografische aspecten. Het gaat over de innerlijke groei van een jong meisje. 'Joep' lijkt als ze doof wordt het vertrouwen in de mensen en het geloof in de eigen idealen te verliezen. Uiteindelijk hervindt ze haar gevoel voor eigenwaarde en weet ze zich sterker dan in de tijd van voor haar doofheid.
Positieve levensvisie
De uiterlijke gebeurtenissen waren voor Frida de Clercq Zubli een aanknopingspunt om over de gevoelens en de beweegredenen van mensen te schrijven. Vertrouwen in de goede intentie van elke lotswending stond daarbij voorop. 'Als de mens de liefdevolle bedoeling voelt van al wat tot hem komt, (dan) zal zijn geest als een vrije, sterke vogel opstijgen in het oneindige licht, waarvan de glans die van de stralendste zonneschijn verre te boven gaat.' Het boek 'De Blijde Stilte' werd bekroond als beste meisjesboek met een pedagogische strekking.
Schrijven met een bedoeling. Menig literator gruwt ervan. Toch is het pedagogische verhaal een van de sterkste opvoedkundige instrumenten die een leerkracht ter beschikking staan. Om dit instrument te kunnen hanteren is het op de eerste plaats van belang dat de leerkracht een beeld van de leerling heeft dat gebaseerd is op het wezen van het kind en niet zozeer op zijn uiterlijk gedrag. Daaraan ontleent het pedagogische verhaal ook zijn werkzaamheid. Het biedt aan het kind als het ware de mogelijkheid om zichzelf te ontmoeten. Ontmoeten kan nooit onder dwang, of zoals een ouder collega eens zij: 'Preken moet je laten. Dat is gif voor de kinderen.' Een pedagogisch verhaal moet mogelijkheden laten zien en dan beslist ook mogelijkheden hoe iets goed kan gaan. Wat dat betreft zijn de boeken van De Clercq Zubli doortrokken van een diepe positieve levensvisie.
"De Heilige Graal" en hulp aan onderduikers
In haar roman 'De Heilige Graal' beschreef ze de lotgevallen van de kunstschilder Huibert. De karaktertekening en de verteltrant zijn nogal een-dimensionaal, maar de opeenvolging van de gebeurtenissen en de situaties zijn herkenbaar en veelzeggend. De gesloten Huibert, die moeite heeft zijn moeder 'in de steek te laten'. De moeder die in een ongelukkig huwelijk geen andere troost heeft dan de zorg voor haar kind. De zoektocht van Huibert naar de zuivere uitdrukkingskracht die de tekeningen in zijn jeugd zo vanzelfsprekend hadden.
Overtuigend zijn ook de talrijke beelden en analogieën uit de natuur. 'Kun je ooit van een ander eisen, dat hij zijn gehele hart ontsluit? Eisen? ... Noem je het eisen wanneer je meent dat de zon licht geeft; ze zou immers de zon niet zijn als ze het niet deed.' In de beschrijving van de ontmoetingen die Huibert op zijn zwerftochten heeft werkte de schrijfster haar visie op de man-vrouw relatie uit.
In ieder mens leeft volgens haar het beeld van hoe hij of zij de partner wenst, maar angst voor teleurstellingen maken dat dat beeld verdrongen wordt. Wie het eigen verlangen niet wil kennen staat ook het eigen geluk in de weg. En wie genoegen neemt met het bijna ideale bouwt een schijnwereld op waar voor zijn ware zelf ook geen plaats is. Waar is de mens meer beschroomd om zijn werkelijke gevoelens uit te spreken en waar is de mens sneller bereid om zichzelf en anderen te misleiden dan op het gebied van de liefde? En dat terwijl juist daar alleen het volstrekt ware telt. Uit het boek spreekt een fundamenteel vertrouwen in de harmonie van de schepping. Het verscheen in 1941.
In de tweede wereldoorlog was Frida de Clercq Zubli betrokken bij de hulp aan onderduikers. Ze zette zich met name in voor joodse kinderen. Voortdurend was ze in de weer om adressen te vinden. 'Ik heb nog een nest jong poesjes, twee zwarte en een witte. Wil je ze hebben?' Het verwijt dat ze haar inmiddels drie eigen kinderen te kort deed pareerde ze fel: 'Alleen als ik waarachtig mens ben kan ik een goede moeder zijn.' Het was voor haar geen vraag waar de nood het hoogste was. Verschillende keren werd ze opgepakt. In de cel van het Huis van Bewaring realiseerde ze zich dat vrijheid niet gebonden is aan plaats of tijd, maar aan oprechte innerlijke zekerheid. Door een acute nierbloeding kwam ze uit de gevangenis en in het ziekenhuis terecht. Van de groep waarmee ze op transport gesteld zou worden keerde niemand terug. Het illegale werk bracht Frida de Clercq Zubli in contact met mevrouw Bordewijk Roepman. Nog tijdens de oorlog trok ze met de kinderen bij haar in. Frida de Clercq Zubli bleef vasthouden aan haar streven naar een leven in waarachtigheid. Toen de mogelijkheid zich aandiende om een jeugdhuis, een internaat op te zetten verhuisde ze met mevrouw Bordewijk naar Apeldoorn. Vanaf de tweede wereldoorlog tot 1969 verzorgde ze de uitgave van het tijdschrift 'Het Dieplood', waarin ze haar opvattingen naar buiten bracht. In 1970 verslechterde haar gezondheid zodanig dat ze het bed moest houden. Ze werd verzorgd door haar dochter en bleef in de kring om haar heen het werk verdiepen. Overleden te Apeldoorn.
