Geboren te Zürich. Was een bekend Zwitsers schrijver uit het realisme, die populaire satirische novelles schreef. Hij schreef tevens de tekst van het Zwitserse volkslied. Keller geldt als een der belangrijkste Zwitserse auteurs. Keller was de zoon van een timmermansbaas in Zürich, die reeds overleed toen Keller vijf was. Hij ging naar de kantonnale school, maar nam op zijn vijftiende deel aan een relatief banale scholierenopstand en werd van school gestuurd, nadat anderen hem ten onrechte hadden aangewezen als de aanstichter. Over dit incident bleef hij zijn leven lang bitter. Keller wilde graag kunstschilder worden. Hij verliet Zürich en trok naar München met de bedoeling te gaan leven van de landschapsschilderkunst. Hij had weinig succes en keerde teleurgesteld terug naar Zürich, waar hij jarenlang bij zijn moeder en zuster bleef wonen, in zware financiële nood. Na in Zwitserland te zijn teruggekeerd begon hij te schrijven en in 1845 kwam zijn eerste dichtbundel uit. In 1848 ontving hij een rijksbeurs om in Heidelberg te gaan studeren. In 1851 verscheen zijn tweede bundel. In 1861 kwam hij in staatsdienst waaruit hij in 1876 ontslag nam. Keller kwam in contact met Ferdinand Freiligrath en Georg Herwegh, schrijvers uit de Vormärz. Kellers vroege periode wordt zijn 'lyrische lente' genoemd: hij ontwikkelde liberaal-democratische ideeën, en zijn Vormärz-vrienden wezen hem erop dat hij een veel beter schrijver dan schilder was. Verstoken van een degelijke opleiding, wierp hij zich op de literatuur van Goethe en Anastasius Grün. Hij begon als autodidact te schrijven, met de hulp van politiek vluchteling C.A. Follen. In 1842 publiceerde hij zijn eerste gedichtenbundel. Veel van dit werk bestond uit liefdeslyriek en politieke gedichten die in de vergetelheid zijn geraakt, maar het boek bevatte ook een aantal nog lang gewaardeerde natuurgedichten, waaronder O mein Heimatland, een ode aan Zwitserland. Het eerste gedicht van Keller dat algemene belangstelling trok, was Der Jesuitenzug, waarin zijn neiging tot satire al tot uiting kwam. In 1848 verleende de regering van Zürich hem een beurs om twee jaar te Heidelberg te studeren. Aldaar doceerde Ludwig Feuerbach, wiens ideeën over godsdienst een sterke invloed op hem uitoefenden. Keller stelde in navolging van Spinoza dat 'God' gelijk moest zijn aan de natuur. Hij meende dat hij zijn leven ten volle moest benutten, aangezien een hiernamaals in zijn ogen een absurde gedachte was. God is "het wereldlijke", aldus Keller. Na zijn studie in Heidelberg leefde hij vijf jaar te Berlijn en schreef de eerste versie van zijn autobiografische roman 'Der grüne Heinrich'. Toen hij naar Zürich terugkeerde, slaagde hij er niet in van de pen te leven en woonde nog zes jaar thuis. Zijn roman, een burgerlijk-pessimistisch antwoord op de Bildungsroman naar het model van Goethes 'Wilhelm Meisters Wanderjahre', werd nauwelijks verkocht. Onverwachts werd Keller in 1861 door het kanton Zürich tot staatsschrijver benoemd, een functie die hij tot 1876 bekleedde. Als blijk van erkenning werd hij in 1878 ook ereburger van de stad Zürich. Hij schreef nog talloze novelles, alle in een eenvoudige maar elegante taal. Zijn verhalen waren concreet en realistisch. De rode draad erin is de grotesk-ironische humor: de personages zijn tegelijk herkenbaar en sterk overdreven, en de verhaallijnen zijn 'mogelijk' maar absurd. Keller was een radicaal democraat, die psychologisch met schuldgevoel en hypochondrie kampte. Misschien leidde dat tot de ietwat melancholische ondertoon in zijn novellen. Desalniettemin kon zijn humor erg scherp en sarcastisch zijn. Keller is ongetrouwd gebleven; sommige van zijn vrouwenfiguren zijn gebaseerd op persoonlijke liefdesrelaties. Hij schreef tot hij stierf in Zürich.
