Persoon/1512253546

Geboren te Den Haag, Zuid-Holland. Eduard (Ed) Jozef Antonie Marie Hoornik was een Nederlandse dichter, behorend tot de Amsterdamse school, journalist, redacteur, romancier, toneelschrijver, recensent en letterkundige. Hij was de zoon van Pieter Antonie Hoornink (bij vonnis Arr. Rb. 's-Gravenhage van 5-8-1881 gewijzigd in Hoornik), meubelmaker, en Petronella Allegonda Vogel. heeft in 's-Gravenhage een katholiek-gerichte opvoeding gehad, ook wat het onderwijs betreft. Toen hij in 1927 van het St.-Aloysius-college wegens wangedrag verwijderd werd, heeft hij zijn HBS-opleiding voltooid aan een Gemeentelijke HBS aan de Derde Van den Boschstraat. Hij heeft daarna bijna een jaar medicijnen gestudeerd in Leiden, maar voelde zich meer aangetrokken tot journalistieke en literaire bezigheden.

In 1929 begon Hoornik zijn journalistieke carrière bij het dagblad De Tijd, vanaf 1933 was hij redacteur bij het Algemeen Handelsblad. In 1934 trouwde hij met Elisabeth Nussbaum. Uit dit huwelijk kreeg hij drie dochters, het paar scheidde in 1957. Van de tweeling huwde dochter Erica in 1960 met Gerard Stigter, bekend als de dichter en schrijver K. Schippers; dochter Eva Hoornik trouwde in datzelfde jaar met schrijver J. Bernlef.

Vanaf 1929 publiceerde Hoornik gedichten en verhalen. Op 30 April 1929 verscheen zijn gedicht Mist in het Leidse Roomsch Studentenblad, orgaan van de Unie van R.K. Studie Vereenigingen in Nederland, nr. 19.

Ed gaf zijn studie medicijnen op en werd journalist in Amsterdam bij het rooms-katholieke dagblad De Tijd. In 1933 werd hij aangesteld als redacteur Binnenland van het Algemeen Dagblad. Maar niet allen: Hoornik was actief als redacteur bij de literaire tijdschrifen Werk en Criterium de opvolger van Werk. Daarnaast werkte hij als redactuer bij het tijdschrift `Helikon' van A.A.M. Stols. Na de oorlog werkte hij als redacteur van het culturele suplement van het weekblad Vrij Nederland, daar informeerde hij de lezers over veel van de Stols-uitgaven. Zo had Hoornik een grote invloed op de dichters van zijn tijd.

in 1934 trouwde hij met een meisje dat hij al jaren eerder in Duitsland had leren kennen: Liesel Nussbaum. Het jonge paar vestigde zich te Amsterdam.

In 1936 verscheen zijn eerste gedichtenbundel Het Keerpunt. Het jaar daarop volgde Dichterlijke Diagnose. Daarnaast had Ed vele gedichten gepubliceerd bijvoorbeeld in het weekblad De Nieuwe Eeuw en in maandbladen zoals: De Gemeenschap, Het Venster, Helikon, De Gids, Forum, Groot Nederland en Opwaardse Wegen. In die tijd schreef Hoornik vooral realistische verzen over de wantoestanden in de maatschappij door de crisistijd. Onder invloed van socialisme en communisme. Zo werd Hoornik een van de leden van de Amsterdamse school, samen met Gerard den Brabander, Jac. van Hattum en Maurits Mok, allen geïnspireerd door Jan Greshoff en E. du Perron.

Hij beschreef het leven van Amsterdam in 't epische gedicht Mattheus, 1938, waarvoor hij de Van der Hoogtprijs ontving. Reeds voor de oorlog waarschuwde Hoornik tegen het nazisme, onder meer met het gedicht Pogrom, met de slotregel het is maar tien uur sporen naar Berlijn (1939; Steenen). Hoornik weigerde als literatuur-recensent van het Algemeen Handelsblad in bezettingstijd rekening te houden met de censuur (hij werkte en schreef onder de directe leiding van de nationaalsocialistische letterkundige en journalist Chris de Graaff), maar had een gezin met kinderen, waardoor het hem moeilijk viel ontslag te nemen. In de loop van 1942 dook hij toch onder. Zijn werk werd verboden. Op 19 augustus 1943 werd Hoornik samen met zijn vrouw, uitgever Bert Bakker en vrienden opgepakt. Ed Hoornik werd overgebracht naar Kamp Vught en vandaar op 26 mei 1944 naar het concentratiekamp Dachau, waar hij 29 april 1945 door de Amerikanen bevrijd werd. Dachau heeft een blijvend stempel op hem gedrukt: Banger word ik voor mijn eigen wezen, Dachau schoof een raster voor mijn ziel (Ex Tenebris) en wie daarin opgenomen is geweest, zal de dood tot zijn dood met zich meedragen. In 1968 werd de roman De overlevende gepubliceerd, die het trauma van de kampervaring als thema heeft.

Na zijn scheiding trouwde Ed Hoornik in 1957 met Mies Bouhuys, die over haar leven met hem het boek Het is maar tien uur sporen naar Berlijn schreef. Zij was ook aanwezig bij de onthulling van het poëzietableau met een gedicht van Hoornik dat in het plaveisel voor de ingang van het Fries provinciehuis in Leeuwarden ligt.

Overleden thuis aan een hartaanval te Amsterdam, Noord-Holland. Hij werd begraven op De Nieuwe Ooster, alwaar op zijn graf een dichtregel van hem is te lezen. Co-Auteur: Wim Hora Adema