Gerrit Jan Komrij was een Nederlandse auteur, vertaler, criticus, polemist en toneelschrijver. Na in Winterswijk het gymnasium te hebben afgerond, trok Komrij in 1963 naar Amsterdam. Komrij schreef gedichten en andere bijdragen in de schoolkrant. Bij een drukkerij in Winterswijk werd in 1963 zijn eerste bundel van vier gedichten gedrukt, Dekonstruktie in vier delen. Voor Komrij was dit echter een pseudodebuut. Na zijn eindexamen in 1963 begon Komrij aan de studie Neerlandistiek in Amsterdam. Hij volgde ook colleges Algemene en Vergelijkende Westeuropese Literatuurwetenschap, maar na een half jaar stopte hij met de studie. Wel verscheen in het tijdschrift Kaas en Brood van de studentenvereniging Olofspoort zijn gedichtencyclus Architektuur I, II, III, IV. Vanaf 1967 werkte hij als vertaler.
In Amsterdam woonde hij op het Leidse Bosje, in een Jordanees bordeel aan de Nieuwe Leliestraat en aan de Stadhouderskade met uitzicht op De Nederlandsche Bank. Zijn sociale leven speelde zich af in de 'homoseksuele underground', maar zijn levenspartner, de kunstenaar Charles Hofman ontmoette hij buiten dat circuit, in een koffiekelder. In 1965 vertrok hij naar Kreta met de bedoeling zich daar te vestigen, maar aan het einde van 1966 keerde hij terug. Op Kreta had hij in zijn levensonderhoud voorzien met het geven van onderwijs in Frans, Duits en Engels. In 1967 werkt hij kortstondig als redacteur bij uitgeverij De Arbeiderspers, maar kon daarmee ophouden, omdat hij inmiddels was begonnen met vertalen. Hetzelfde jaar betrokken Komrij en Charles een woning aan de Van Lennepkade 191.
Zijn echte debuut als dichter is de bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten in 1968. In 1976 schreef Komrij op muziek van Boudewijn de Groot het lied Kinderballade, dat een jaar later op single verscheen. In 1979 publiceerde hij de eerste versie van de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten. Na een kwarteeuw was deze bijbel van de dichtkunst der Lage Landen in 2004 door uitbreiding toe aan een veertiende editie met de aangepaste titel Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten. De periode van Komrijs jeugd in Winterswijk, tot zijn studentenjaren in Amsterdam, ligt ten grondslag aan het autobiografische Verwoest Arcadië (1980), dat zich richt op de verhouding van de hoofdpersoon Jacob tot jongens en boeken.
Komrij en Charles emigreerden in 1984 naar Portugal en vestigden zich in Alvites, in de bergen van Trás-os-Montes. In 1988 verhuisden zij naar Vila Pouca da Beira.
In 1990 hield Komrij in de Pieterskerk te Leiden de Huizingalezing aan de Universiteit Leiden. Drie jaar later ontving hij de P.C. Hooft-prijs voor zijn beschouwend proza.
In 1997 schreef hij Niet te geloven - een prieelgesprek ter gelegenheid van de Boekenweek, een fictief verslag van een praatgroep in de vorm van een trialoog over religie tussen een relimaan, een relifiel en een relifoob naar aanleiding van de vraag of er sprake zou zijn van een opleving van het geloof, waarbij zij van gedachten wisselen over allerlei thema's uit de godsdienstwetenschap en de geschiedenis van de verdediging en de bestrijding van het geloof.
Op 26 januari 2000 werd Komrij door Nederlandse lezers uitgeroepen tot de eerste Dichter des Vaderlands, voor een periode van vijf jaar. In januari 2004 deed hij afstand van zijn functie.
Komrij groeide uit tot een gewaardeerd schrijver en gevreesd criticus. Hij won talrijke literaire prijzen en ontving op 8 februari 2000 een eredoctoraat van de Universiteit Leiden, dat hem werd uitgereikt in de Pieterskerk. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag organiseerde het Letterkundig Museum in 2004 de tentoonstelling Scripta Manent, maar niet altijd – Gerrit Komrij zestig jaar.
Overleden na een kort ziekbed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam. Op 20 september verscheen postuum de dichtbundel getiteld Boemerang en Andere Gedichten. Volgens zijn uitgever lag deze al min of meer klaar op het bureau van Komrij. In november 2019 overleed zijn partner Charles Hofman op 72-jarige leeftijd in Portugal. Komrij haalde hem of hun relatie vaak aan in zijn werk, onder meer in het gedicht Utrechtsestraat, zebrapad. Komrij droeg volgens zijn uitgever al zijn werk op aan Hofman, die zelf grote glas-in-loodwerken maakte, maar ook enkele boeken illustreerde, onder andere Komrijs dichtbundel Capriccio.
Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr schreef naar aanleiding van het overlijden van zijn voorganger het afscheidsgedicht ‘Voor Gerrit’ en Het Utrechts Dichtersgilde droeg op 7 juli 2012 een van De Letters van Utrecht aan hem op.
