Geboren te Wageningen. Als kind groeide ze op in het Veluwse dorp Beekbergen. Hun huis stond even buiten de bebouwde kom en hun tuin grensde aan het bos. De geur van natte bladeren, het koeren van de houtduif en de zang van een merel in de avond, zijn verbonden met haar jeugd. Als 3-jarige ging ze voor het eerst naar de kleuterschool, een wandeling van ongeveer een kilometer, langs het kerkhof, omzoomd door een grote beukenhaag, en vervolgens een smal paadje door de akkers tot aan de dorpsstraat. De eerste keer werd ze gebracht. De tweede keer wist ze zelf de weg wel en was ze woedend, toen ze achteromkijkend haar moeder ontwaarde, die haar volgde om te zien of alles wel goed ging. Op die kleuterschool ontmoette ik haar eerste vriendinnetje. Ze heette Margrietje en kon heel goed tekenen. Vaak zaten ze hele middagen buiten aan een klein tafeltje met papier en kleurpotloden. Waarbij ze altijd het gevoel had dat ze er niets van kon, want de tekeningen van Margrietje waren veel mooier. Toch ontmoedigde het haar niet. Veel meer was deze vriendschap een stimulans om door te gaan, juist omdat ze er van genoot te zien, hoe mooi Margrietjes tekeningen werden. En zelf probeerde ze dat dan na te maken. Dat lukte weliswaar niet helemaal, maar dat gaf niet.
Haar hele lagere schooltijd las ze veel en hield ze van verhaaltjes te schrijven en te illustreren. De middelbare school vormde een breuk: de volwassen literatuur kon me nog absoluut niet boeien en ze stopte met lezen. Alleen de strip van Tom Poes en Heer Bommel in de krant was haar favoriet. Pas toen ze zelf kinderen had, kwam haar verlangen om te tekenen en te schrijven terug. Voor hen was het dan ook dat ze haar eerste kinderboek maakte, met daarin alle elementen uit haar eigen jeugd: het bos, de dieren en het kleine eigenwijze meisje... Nu zijn die kinderen inmiddels volwassen en haar creativiteit is verschoven naar het werken met glas.
