Geboren te Odijk, Utrecht. Was pedagoge, schooloprichtster en schrijfster. Ze was het tweede kind van een Nederlands-hervormd domineesgezin met zes kinderen; drie jongens en drie meisjes. Dochter van Willem Snellen (1830-1892), predikant, en Josina Brooshooft (1840-1929). Omdat de vader steeds weer naar andere plaatsen werd beroepen, verhuisde het gezin regelmatig. Zo groeide Agatha op in achtereenvolgens Neede, Driel, Sint-Oedenrode en Eindhoven. Vanaf haar veertiende woonde Agatha enkele jaren in Arnhem; vermoedelijk bezocht ze daar de Nutsschool en woonde ze in bij familie. In september 1883 verhuisde Agatha naar Zeist, waar ze lesgaf aan de Broedergemeenteschool voor meisjes, gericht op de verbreiding van het evangelie. Ze hield de baan niet lang. Al na een kleine twee jaar keerde ze terug naar haar ouders, die inmiddels in Utrecht woonden. Voor het geld hoefde ze niet te werken, de familie van beide ouders was redelijk vermogend. Haar grootvader van vaderszijde was arts, die van moederszijde was notaris. Agatha verbleef enige tijd in Nederlands-Indië. Het is onbekend wanneer precies, maar mogelijk logeerde ze bij haar oom Pieter Brooshooft, letterkundige-journalist, die er van 1887 tot 1895 hoofdredacteur van het Semarangse dagblad 'De Locomotief was'. Na haar werk aan de Broedergemeenteschool begon Agatha Snellen te schrijven. Haar eerste bekende publicaties dateren uit 1892, het jaar waarin haar vader stierf: een sprookje in Elsevier’s Geïllustreerd Maandblad en Nieuwelingen op de kostschool, een toneelstuk voor meisjes. In 1893 en 1894 schreef zij enkele sprookjes voor 'Het Nieuws van den Dag'. Veel succes had ze met In de muizenwereld (1894), een sprookje waarbij componiste Catharina van Rennes muziek maakte. Tijdens de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag (1898) droegen ze samen het stuk voor, Snellen als vertelster, Rennes op de piano. Het werk zou meer dan twintig keer herdrukt worden en in drie talen worden uitgegeven. Agatha Snellen stond niet op de barricades voor het vrouwenkiesrecht, maar zette zich wel in voor betaald werk voor vrouwen. In 1897 verhuisde Agatha Snellen met haar moeder en haar zus Maria, die net als zij ongehuwd bleef, naar een bovenwoning aan de Bleyenburgkade (nu Alexander Numankade). Een jaar later begon Agatha Snellen met het geven van privéonderwijs: thuis ontving ze de eerste zes leerlingen, die om welke reden dan ook niet konden aarden in het gewone klassikale onderwijs. Ze geloofde in het belang van persoonlijke aandacht en van een afwisseling van spel en leren. De eerste leerlingen waren tussen de vijf en zeven jaar oud en afkomstig uit vooraanstaande milieus, zowel jongens als meisjes. Lessen werden alleen in de ochtend gegeven, door Agatha zelf en door de korte tijd later aangenomen assistente mejuffrouw Robbers. Snellen was er door studie en ervaring van overtuigd geraakt dat kinderen net zoveel leerden in drie uur schooltijd als in vijf uur per dag. Ook moesten de lessen niet langer dan drie kwartier duren, zo legde zij in 1904 uit aan het Nieuwsblad van Friesland. ‘Kort en goed’ was de leuze van haar school aan huis. De school behoorde niet bij een kerkgenootschap en was daarmee een vroeg voorbeeld van een bijzonder neutrale school. Snellens ideaal boekte succes. De bovenwoning was al gauw te klein en daarom verhuisde Agatha Snellen in 1901 met haar moeder en zus naar een huis aan de Biltstraat (nr. 101c); vier jaar later kocht ze een huis aan de Zuilenstraat (nr. 7) als onderkomen voor de school. In 1906 telde de school tachtig leerlingen. Zelf woonde ze in deze jaren korte tijd in De Bilt, maar vanaf 1914 woonden de Snellens weer in Utrecht, aan de Koningslaan. Na verloop van tijd ging Agatha Snellen ook voorzien in onderwijs aan oudere kinderen. Meisjes tussen twaalf en zeventien jaar die niet naar de hbs of het gymnasium gingen, konden bij haar nog (meer) uitgebreid lager onderwijs (ulo/mulo) volgen. Dit concept sloeg aan. Vanaf 1 september 1911 konden ouders van buiten Utrecht hun kinderen zelfs tegen betaling onderbrengen in het ‘Tehuis voor Schoolgaande Meisjes’ aan de Maliebaan (nr. 102). Dit kosthuis was specifiek bestemd voor de oudere leerlingen van Agatha Snellen, die hier aanvullende activiteiten kregen aangeboden, zoals dansles en toneel. Op 21 november 1914 legde Agatha Snellen de directietaken neer en bracht zij de school onder beheer van een vereniging van ouders. Zij besloten de oprichtster te gedenken in de naam van de school, die voortaan ‘Schoolvereeniging Agatha Snellen’ zou heten. Agatha Snellen nam als penningmeester nog wel plaats in het verenigingsbestuur, maar had geen bemoeienis meer met de dagelijkse leiding. In 1916 verkocht ze het schoolpand aan de vereniging. De school groeide: het pand aan de Zuilenstraat werd in 1924 drastisch verbouwd. In datzelfde jaar kregen de kleuterklassen, de Fröbelschool, een eigen onderkomen in de Parkstraat (nr. 37). De schrijfcarrière van Agatha Snellen had sinds de oprichting van de school op een laag pitje gestaan. Vanaf 1924 publiceerde zij weer regelmatig nieuw werk. Zo leverde zij verhalen aan het maandblad voor de jeugd Zonneschijn. Opmerkelijk was haar artikel in het Utrechtsch Dagblad (17-9-1932) over de waarde van het spel voor kinderen. Haar naam bleef verbonden aan de school in Utrecht, die zij soms geld leende. Bij jubilea werd Agatha Snellen als oprichtster steevast geëerd. Op haar zeventigste verjaardag in 1932 werd zij in de school gehuldigd en op haar vijfenzeventigste verjaardag kwamen leerlingen en leerkrachten haar thuis toezingen. Op het einde van haar leven verhuisde Agatha Snellen naar Bilthoven, waar ze na een langdurig ziekbed stierf, 85 jaar oud. In de stoet naar de Tweede Algemene Begraafplaats in Utrecht liepen meisjes van de mulo-klassen en leerlingen van de hoogste klas van de lagere school mee. De overige leerlingen stonden in de Zuilenstraat bij het schoolgebouw. Agatha Snellen bleef ongehuwd.
