Persoon/916935207

Geboren te Alkmaar. Was o.m. journalist, en sinds 1951 perschef van de Algemene Kunstzijde Unie te Arnhem. Opgegroeid in een rechtzinnig protestants milieu vond hij aanvankelijk zijn plaats in de kring rondom het tijdschrift Opwaartsche wegen. Zijn vroege gedichten zijn vlot geschreven, speels en zangerig, enigszins pathetisch. In zijn rijpere werk ligt zijn grootste kracht in het rake, flitsende woord. Was een belangrijke figuur in het verzet en heeft zich daarin ook als dichter misschien wel het meest kunnen uitleven. Stelde in 1941 met H.M. van Randwijk en G. Kamphuis het eerste, kleine 'Nieuw Geuzenliedboek' samen. Zijn oorlogsgedichten werden o.m. gebundeld in 'Moederkoren' (1945). Met name de sonnettencyclus 'Jeremia' (1941) bevat de profetische thematiek ingegeven door een non-conformistische waarheidsdrang, die zijn verzetspoëzie kenmerkt. Schreef ook novellen, reisverhalen, enkele lekespelen en de in Polen spelende roman 'Fir' (1938). Schreef soms onder pseudoniemen Haje Sikkema en J. ten Mutsaert. Haje zijn zijn eigen voorletters, maar dan omgedraaid en Sikkema komt van de 'sik' die De Groot vrijwel altijd als 'kinnesier' droeg. Hij gebruikte beide schuilnamen in de Tweede Wereldoorlog en nog een enkele keer daarna. Ontving in 1946 de Poëzieprijs van Amsterdam. Zijn werk werd o.a. in het Duits, Engels en Zweeds vertaald. Overleden te Zeist.