Geboren in Louvain (Leuven), Vlaams-Brabant. Thomas Owen, pseudoniem van Gérald Bertot, was een Belgische Franstalige schrijver. Zijn vader, Arthur Bertot, uit een oorspronkelijk Ardens gezin, was advocaat en zijn moeder, Elisabeth Schueremans, van Leuvense afkomst, was huisvrouw. Zij trouwden te Leuven op 11 augustus 1908. De jonge Gérald bracht zijn vakanties door in La Cuisine, aan de oevers van de Semois, bij zijn grootmoeder. Ze kwamen 's avonds bijeen op de hooizolder, bij het licht van een orkaanlamp, omdat er op dat moment nog geen elektriciteit in huis was – en het zeer zwakke licht van deze lamp creëerde een buitengewone sfeer die de ontwikkeling van verschrikkelijke angsten. Deze barre Ardense omgeving zou zijn werk beïnvloeden. Hij deed zijn middelbare studies in het Sint-Michielscollege van Brussel. Hij schreef artikels in het schoolblad La Jeunesse. Op die manier kwam hij in contact met de schrijver Jean Ray die hem aanmoedigde om verder te schrijven en waarmee hij ook later een vriendschappelijke band onderhield. Ze bleven goede vrienden tot Ray's dood in 1964.
Na een jaar studies filosofie, ging hij rechten studeren aan de universiteit van Leuven en behaalt in 1932 zijn diploma. Aan de universiteit richtte hij een tijdschrift op, La parole universitaire, dat een tiental jaar zou bestaan en waarin hij zeer actief was. Hij schreef ondertussen ook onder het pseudoniem "Mr. Arsène" humoristische kronieken in het dagblad Le XXième siècle.
In 1932 vervulde hij zijn militaire dienst bij de 1e Gidsen te Paard in Bourg-Léopold. Hij wordt tweede luitenant.
In november1933 trouwde hij met Juliette Ardies. Ze kregen twee kinderen, Colette geboren in 1936 en Jean-Gérald, geboren in 1939. In 1934 ging hij werken bij "Molens Drie Fonteinen", een grote industriële maalderij, eigendom van zijn groot-oom, langs het kanaal in het Vilvoordse gehucht Drie Fonteinen. Hij zou daar drieënveertig jaar in dienst blijven en er directeur worden. In die hoedanigheid diende hij in de periode 1950 tot 1979 veel reizen te maken, overal in Europa en in de Verenigde staten. Vooral de Balkan maakte een grote indruk op hem. Hij werd tevens algemeen voorzitter van de vereniging van Belgische maalders en vanaf 1979 ook van de Europese Groep van maalderijverenigingen.
Onder impuls van zijn vriend William Ugeux, de directeur van Le XXième siècle, startte hij in 1933 zijn carrière van kunstcriticus onder het pseudoniem Stéphane Rey in La Libre Belgique en L'Écho. Hij zou dat meer dan 60 jaar zal doen en ongeveer 20.000 artikelen schrijven.
In 1939 werd hij gemobiliseerd en in mei 1940, na de capitulatie van Belgisch leger, werd hij krijgsgevangene. Hij werd echter al vlug vrij gelaten en kon hij een deportatie vermijden.
Van 1941 tot 1943 publiceerde hij verschillende korte verhalen en detectiveromans, voor de collectie Le Jury. Hij verandert in de loop van 1942 van pseudoniem en kiest nu voor het Engelse "Thomas Owen", de held uit zijn eerste roman, een naam die hij had gevonden in een cataloog van een boekhandel. Hij stapte over naar de fantastiek met l'Initiation à la Peur verschenen in 1942. In 1943 schreef hij zijn eerste fantastische roman: Chemins Etranges. Vanaf 1945 schreef hij nog enkel in het genre dat hem zou kenmerken. Met dit specifieke genre, verhalen en horrorverhalen kreeg hij erkenning bij het grote publiek. Zijn fantastische korte verhalen dompelen ons onder in een universum dat voortdurend in botsing komt met horror en het irrationele, gekenmerkt door fantasie, ironie en sensualiteit. Sommige van zijn werken werden verfilmd. Zijn fantastische korte verhalen dompelen ons onder in een universum dat voortdurend in botsing komt met horror en het irrationele. Hij schreef tijdens zijn leven meer dan 300 korte verhalen, waarvan de meeste fantasiek waren.
Hij was tot het einde van zijn leven alert en bezig met schrijven. Overleden te Etterbeek, Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
