Persoon/N313

Geboren te Utrecht. Gerard Nolst Trenité was een Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus. Nolst Trenité was de zoon van een Utrechtse predikant. Na het gymnasium studeerde hij van 1890 tot 1894 aan de Rijksuniversiteit Utrecht klassieke letteren, rechten en staatswetenschappen, zonder echter een van deze studierichtingen te voltooien. Avontuurlijk aangelegd, begon hij in 1894 een zichzelf beloofde reis om de wereld, die voortijdig strandde in San Francisco, waar hij huisonderwijzer werd van de kinderen van de Nederlandse consul. Maar twee jaar later was hij terug in Nederland en hervatte hij zijn studie staatswetenschap, zich tegelijkertijd voorbereidend op de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs Engels; de betrokken acte behaalde hij in 1898. In 1901 promoveerde hij in Utrecht op stellingen tot doctor in de staatswetenschappen. Van 1900 tot 1918 was Trenité, zoals hij zichzelf bij voorkeur noemde, leraar Engels en Staatsinrichting aan het Middelbaar Onderwijs in Haarlem. Uit die periode dateren o.a. zijn schoolboeken 'The nutshell'. 'Shortest English grammar' (1906), 'First Pictorial word book' (1908) en 'Drop your foreign accent. Vocal gymnastics' (1909). Zijn in latere edities van dit laatste boek opgenomen gedicht 'The Chaos', bedoeld als oefenstof voor de uitspraak van Engelse woorden met een voor Nederlanders moeilijk woordbeeld, werd ook buiten Nederland populair. Het geniet zelfs bekendheid in Engeland bij de weinigen die een spellinghervorming nastreven. Op het gebied van staatsrecht schreef hij 'De grondwet, met korte aanteekeningen' (1912). Vanaf 1903 schreef Trenité voor het sinds 1877 verschijnende weekblad De (Groene) Amsterdammer een taalrubriek onder de naam waarmee hij grote bekendheid verwierf: Charivarius, een pseudoniem dat waarschijnlijk is ontleend aan het Franse satirische tijdschrift Le Charivari (1832-1937) en zijn Engelse pendant Punch, or the London Charivari (1841-1992); het Franse woord 'charivari' staat voor een carnavaleske optocht met kabaal en ketelmuziek. De Charivarius-rubriek werd door Nolst Trenité voortgezet tot De Groene in 1940 door de bezetter verboden werd. Er zijn drie bloemlezingen Charivari (1913) en Charivaria (1915 en 1916) van verschenen, maar ook vijf bundels onder de naam Ruize-rijmen (1914-1918), waaruit in 1922 een bloemlezing werd samengesteld, eveneens onder de titel Ruize-rijmen. Zijn boekje Is dat goed Nederlands? (Amsterdam, 1940) is een van de bekendste taaladviesboeken: het haalde tien edities en is nog in 1998 in facsimile herdrukt. De rubriek bestond deels uit ironische en soms cynische rijmen (vooral die over het bloedvergieten van de Eerste Wereldoorlog), deels uit een ironische benadering van taalontsporingen die Charivarius in allerlei publicaties signaleerde. Later ging hij op over lopende tekst, waarbij hij veel voorbeelden aanhaalde van fouten. Hij gaf kleurrijke namen aan bepaalde fouten. Zo werd een opeenvolging van korte zinnen hijgstijl genoemd, en bedacht hij de naam 'Fnaffers en Fuiters' voor taalgebruikers die 'vanaf' en 'vanuit' aan elkaar schreven. De bekendste term die aan Charivarius is toegeschreven is de tante betje. Dit is een inversiefout, die optreedt bij samengestelde zinnen (na nevenschikkende voegwoorden zoals en, want of maar). Traditioneel moet in het Nederlands de volgorde onderwerp - persoonsvorm hetzelfde zijn in beide zinnen. Ook voor toneel had hij grote belangstelling. Met jongensboekenschrijver J.B. Schuil ('Doodverklaard', 'De katjangs', 'De AFC-ers') richtte hij in 1912 de Haarlemsche Tooneel Club op, die door hem geschreven of bewerkte stukken speelde. Verzwakt uit oorlog en hongerwinter gekomen overleed Nolst Trenité een jaar na de Bevrijding te Haarlem.