Het begon ermee dat ik op nummer 13 ging wonen. In Amsterdam, in de Jordaan. Daarna liet ik een matras op de vochtige vloer liggen terwijl ik op vakantie was. Een stank toen ik thuiskwam! Meteen weggegooid natuurlijk. Maar ondanks al het boenen was de grote, zwarte plek niet uit het tapijt te krijgen. Het leek wel de opening van een waterput. De geest van een engerd, Meindert Swarteziel, huisde eronder, vertelde ik aan mijn pleegzoons. Om de zeven jaar spleet de grond open en greep hij het kind dat het dichtst bij stond… Soms werd het verhaal zo eng dat de jongens vroegen: ‘Henk, vertel vanavond iets anders, ik heb vannacht zo eng gedroomd.’ Toen kreeg ik zelf nachtmerries waarin ik lange grijparken een putdeksel zag oplichten. Hoe waar was wat ik verzonnen had? Vroeg ik me af. Hoe waar zijn de verhalen uit dit boek? Ze zijn bedacht, meer in het huisje van het verhaal ‘Jam’ heb ik zelf gewoond; Joop, de handelaar uit ‘De tapijtgeest’, was mijn buurman; die muur, volgehangen met schedels van sabeltandtijgers uit ‘Spokendans’, daar heb ik zelf tegenovergestaan. Al rende er in het Bijlmer-winkelcentrum geen moordzuchtige stiefvader achter mij aan zoals in ‘Metro’, ik werd er wel door een man (met collectebus) achtervolgd. Natuurlijk zijn alle verhalen verzonnen, en toch... ik moet je bekennen: ik houd het liever op dan dat ik in Tuschinski naar de wc ga.
