Maud komt bij de tandarts vandaan, de tandartsenpraktijk is ver bij haar huis vandaan. Dat komt, omdat Maud eerst aan de rand van de stad woonde, vlak bij tandarts Van Dijk. Nu zij verhuisd zijn, gaan zij nog steeds naar dezelfde tandarts, omdat er geen andere in de buurt is. Bij Maud in de straat staat een oude fabriek, maar zij noemt het een kasteel.
Op een dag staat er een grote verhuiswagen voor de poort van het kasteel. Maud gaat vragen, wat er in het kasteel komt. Er komt dus een tandarts. Een paar weken later gaan Maud en Gideon naar binnen en onderzoeken het gebouw. Zij komen bij een kast en zij horen een stem, tot hun grote verbazing zit er een jongetje in de kast. Zij vragen of de tandarts hem heeft opgesloten, maar dat is niet zo en hij wil er ook niet uit. Een tijdje later lopen ze weer langs het kasteel en de tandarts vraagt of zij het gebouw even willen zien.
Zij gaan naar de behandelkamer en daar is een gek rond ding, dat is de behandelstoel met allerlei gekke felle kleuren. De kamer is heel leeg, er staat alleen maar de rare behandelstoel en een frisdrank automaat, om te spoelen. Als zij weer naar huis gaan is Maud blij, dat hun eigen tandarts niet zo'n gekke stoel heeft en een kamer met die felle kleuren.
