Gravin Elisabeth, de vrouw van heer Rolf, moet een kind krijgen. ‘Een zoon! Zeg tegen mijn echtgenote dat ik een zoon wil!’ Rolf schreeuw het Tala, de helpster van de gravin, toe. Hij noemt de oude vrouw een heks en zij moet ervoor zorgen dat zijn wens uitkomt. Wanneer de baby geboren is, gebeuren er vreemde dingen. Rolf verneemt van zijn vrouw dat hij vader is geworden van een meisje. Maar Tala toont hem een… jongen. In ruil voor die ‘heksentoer’ eist Tala dat hij belooft zijn dochter nooit slecht te zullen behandelen. Als hij dat toch doet, zal dat kwaad de pasgeborene treffen. Rolf zweert dat hij zijn hand nooit zal opheffen tegen zijn dochter. ‘Ik heb er toch geen’, zegt hij. ‘Ik zal er nooit een hebben!’
