Over zijn rug liep een dubbele rij rechtopstaande hoornen platen, die puntig waren en soms meer dan een meter lang waren. De staart hing geen ogenblik stil en zwaaide van de ene kant naar de andere, zodat de enorme hoorns afwisselend links en rechts van het beest te zien waren. Een van de korte, stevige voorpoten stond nog steeds op de levenloze slang. De achterpoten van het dier waren veel langer en daardoor leek het alsof het voorover bukte om de kinderen eens goed van dichtbij op te nemen. Het had maar een kleine kop, die heel laag hing. Zijn bek leek op een papagaaiesnavel.
Het beest draaide zijn kop langzaam naar Joan en keek haar oplettend aan. Het meisje schreeuwde van angst. "Je zou me weleens netjes kunnen bedanken." zei het beest. Zijn stem scheen minder bij zijn grote lichaam te passen dan zijn kop. Het praatte als een mens, alleen erg eentonig.
