Als Koning Winter over het land regeert, ontdekt boer Tobias midden in een weiland een grote sneeuwman, die hem aankijkt. Wanneer de kerkklok negen slaat, begint de sneeuwman tot zijn verbazing te praten. Hij schrikt hier zo van, dat hij naar het kasteel rent, om het aan graaf Pompilius te gaan vertellen. De graaf woont op het kasteel met gravin Adelaïde en zijn dochter Jasmijntje.
Samen met de stalknecht Hendrik, gaat de graaf met Tobias mee om de sneeuwman met eigen ogen te gaan zien. En ja hoor, als de klok tien uur slaat, begint de sneeuwman weer te praten. Hij heeft het over koning Winter en daarom besluiten graaf Pompilius, Tobias en Hendrik om koning Winter te gaan opzoeken en zijn raad te vragen. Onderweg komen ze het Kerstmannetje tegen, die geheimzinnig lacht als hij het verhaal hoort. Hij wijst hun de weg naar koning Winter: achter de vierde berg, daar woont hij!
