Toen Claartje voor de eerste keer het verschrikkelijke gekke mannetje in grootvaders tuin zag, was zij erg verbaasd. Zij wilde natuurlijk onmiddellijk weten hoe het heette, maar dat wilde het mannetje zo maar niet zeggen. Het begon te lachen en vroeg: 'Kun je een raadseltje oplossen?' 'Ik ben geen mens en ook geen dier. Ik taddel maar voor mijn voor plezier. Ik taddel de beesten en bloemen blij. Is dat geen echte toverij?' Claartje vond het een moeilijk raadseltje, maar toen zij er heel diep over had nagedacht, wist ze het antwoord toch. 'Je bent een tovertaddel', zei ze, 'en je kunt een heel klein beetje toveren'. Zo was het, en omdat zij het geraden had, wilde het mannetje haar vriendje zijn.
