Tobie is op de vlucht. Hij rent als een schicht over de takken. Hij verbergt zich in scheuren van het schors. Zijn voeten bloeden, hij is aan het eind van zijn krachten. Zijn eigen mensen zitten hem op de hielen, willen hem, dood of levend. Tobie is niet groter dan anderhalve millimeter, wat niet veel is voor zijn leeftijd, maar niet uitzonderlijk klein ook. Hij hoort tot het boomvolk dat al sinds het begin der tijden de reuzeneik bevolkt. Zijn vader, een geziene wetenschapper uit de hoogste takken, heeft geweigerd een revolutionaire uitvinding openbaar te maken, omdat die op de lange duur het voortbestaan van hun universum, de boom, in gevaar zou brengen. Sindsdien is zijn gezin verbannen naar de donkere onderste takken, naar een strafkamp gestuurd, ter dood veroordeeld. Alleen Tobie is ontsnapt. Maar voor hoelang?
