Er leefde eens een sprookjesschrijver met een rode neus. Elke avond, zodra de zon verdwenen was, sloot hij zorgvuldig de gordijnen van zijn tuinhuisje, haalde een oude fles wijn uit de kelder, een veren pen uit het pennenbakje en zette zich achter een leeg ven papier. Hij wachtte en wachtte op de sprookjesfee die immers alle sprookjesschrijvers de verhalen komt influisteren. Toen na twee volle weken nog helemaal niemand aan de deur geklopt had en ook niemand door de schoorsteen was binnen komen vallen, begon de sprookjesschrijver heel bedroefd te worden. Hij snuffelde in het grote rode boek met de sprookjes van ‘moeder de gans’, tussen de stapels matrassen van de ‘Prinses op de erwt’ bij Andersen en zelfs in de verzamelde werken van de gebroeders Grimm; allemaal voor niets! Toen er een hele maand voorbij was gegaan, besloot hij om het nog één laatste avond te proberen. Heel voorzichtig bracht hij zijn oudste fles wijn naar boven, trok er de kurk uit, maar zag bij het uitschenken dat er erg veel droesem in zijn glas terecht kwam. Hij haalde vlug de gepoetste zilveren kan om er de oude wijn in te decanteren en tóén gebeurde het! In de zilveren buik van de karaf zag hij zijn gezicht spiegelen: kalend hoofd, tinkelende spleetogen, een proevende onderlip en, gloriërend ertussen, een rode ruikneus! ‘Wel’, dacht hij bij zichzelf, ‘als de magere dichtersgestalte van Hans Christian Andersen het verhaal over de zeemeermin, over het meisje met de zwavelstokjes of van Houten hannes valt af te lezen en als je de gebroeders Grimm alleen maar als twee lieve dikke mannetjes kunt voorstellen, dan kan iemand met zo’n rode neus alleen maar wijnsprookjes schrijven!’ En zo is het gekomen dat sindsdien alleen de geest uit de fles de verhalen heeft ingefluisterd die in dit boek zijn opgetekend. En juist omdat elke vertelling zich langzaam om gouden, rode en blauwe edelstenen weeft, is er in de sprookjeswereld maar één dit in borduurzijde kan weergeven: Cécile Dreesmann!
