Titel/215

Op een winterse avond neemt de auteur een kat in huis. Tijdelijk en geheel vrijblijvend - denkt hij - maar algauw wordt duidelijk dat hij en dat wat een hulpeloos hoopje zwerfkat leek, langdurig onder één dak zullen moeten samenwonen. Er moeten dus afspraken worden gemaakt en - vooral - compromissen gesloten. Reeds in het eerste van de vele gesprekken van-man-tot-kat wijst de man er met nadruk op dat hij vrijgezel is en dus behoort tot een soort die erg gehecht is aan rust en vaste gewoonten. 'Dat geldt ook voor katten,' luidt het antwoord. Huiselijke schermutselingen zijn aan de orde van de dag: komt men wel of niet wanneer men wordt geroepen? Is men beleefd wanneer mensen op bezoek komen? En: heeft men, in een tijd waarin iedereen zo nodig slank moet zijn, eigenlijk niet gewoon het recht om 'de laatste der vadsige katten te blijven? De schrijver verwerkt in het relaas van deze gebeurtenissen veel wetenswaardigheden over de kat in de geschiedenis (vanaf de verering door de Egyptenaren tot de heksenvervolgingen in de middeleeuwen) en vergast de lezer op menige smakelijke anekdote: over katvriendelijke en -vijandige bekendheden en staatshoofden, over wat grote denkers - van Mark Twain tot Mohammed - over de kat hebben gezegd en geschreven, over katten en hun namen, over katten in films en literatuur, en ga zo maar door. Ook stelt hij een diepgaand onderzoek in naar de legendarische negen levens van de kat.