In een tijd van springveerbaskets, glijmotoren en schuifauto’s zijn wandelaars een rariteit. En toch wandelt opa veel, tot groot jolijt van de hele buurt. Op een keer gaat Andreas met hem mee. Hij wil eens rustig praten met zijn grootvader. Andreas’ papa zegt dat veel stadsmensen ‘aan drugsverslaafde beesten zijn’. Dat pikt opa niet. Hij noemt vergoelijkend ‘gekwetste kinderen’. Waarom noemt grootvader hen zo? Dat vraagt Andreas zich al een hele tijd af. En er zijn nog zoveel andere dingen die hij niet zo goed begrijpt. Waarom mensen van het platteland niet naar de stad gaan, bijvoorbeeld? Opa vertelt er wel iets over maar lang niet voldoende. Daarom besluit Andreas zijn opa in het geheim naar de stad te volgen.
