Titel/7394

Een van de hoofdpersonen in deze roman is het Satans-kind Pasqual Pinon. Dit menselijk misbaksel, dat leefde tussen ca. 1880 en 1920, droeg ook in werkelijkheid op één lichaam twee hoofden; zijn eigen en dat van de vrouw Maria. Tussen Pasqual Pinon en Maria ontstaat een brandenden liefde die niet bevredigd kan worden - hun lippen kunnen elkaar niet beroeren, hun ogen kunnen elkaar slechts in een spiegel zien. Maar haar stem zingt in zijn hoofd met een innerlijke gloed die brandt tot in de dood. De haat-liefde verhouding tussen de twee hoofden van Pasqual Pinon wordt op een ander niveau beschreven in de absurde, erotische relatie tussen Brecht en zijn geliefde, maar tegelijkertijd verguisde, 'verzopen' minnares, Ruth Berlau, die in een krankzinnigengesticht in Berlijn het met whisky gevulde dodenmasker van Brecht letterlijk dodelijk omhelst. Een derde, even grotesk als boeiende verhaallijn beschrijft de uitgebluste, maar onverbreekbare band tussen de psychiater K. en zijn ex-echtgenote, die elkaar terugvinden in hun gemeenschappelijke adoratie voor een jongeman die hun beider dochter heeft vermoord. Deze 'novellistische' roman is een virtuoze compositie - een lofzang aan de liefde die niet zichzelf zoekt - in zes fragmenten die een verbale weerklank zijn van het woordeloze gezang van Maria voor haar onafscheidelijke wederhelft Pasqual Pinon.