Professor Andree, hoogleraar in de ruimte-luchtvaart en zijn assistent, ingenieur Harm Peters, hebben een ruimteschip gebouwd, waarmee zij na toestemming van de regering naar de maan vliegen. Tot hun grote verbazing en schrik, blijkt de maan bewoond te zijn. Ze ontmoeten er Monus, de maanwachter, die hun al had zien aankomen en hun opwacht. De maanmensen leven in een stad, Sinopol genaamd, onder de grond en maken zelf lucht en water, zodat ze kunnen blijven leven. Van Monus leren ze hoe kleinzielig aardemensen zijn. Ze zijn hebzuchtig, maken ruzie en praten veel te veel. Maanmensen zijn rustig en hebben geleerd om niet om stoffelijke zaken als goud en diamanten te geven. Ze spreken af, om met Monus terug te reizen naar de aarde, zodat hij de mensen op aarde kan leren, hoe ze in vrede met elkaar kunnen leven! Plotseling landt er een tweede ruimteschip op de maan, het blijkt van Wiers, een voormalig assistent van professor Andree, te zijn. Hij heeft de bouwtekeningen van het ruimtevaartuig gestolen en heeft het precies zo nagemaakt. Hij en zijn bemanning komen om goud en diamanten van de maan te roven. Monus neemt de mannen mee en ze worden in Sinopol gevangen gezet. Monus gaat nu mee terug naar de aarde. Hij heeft zijn paralitum bij zich. Dit is volgens Monus een ouderwets wapen, waarmee je personen gedurende 3 minuten kunt laten verstijven. Hoe nuttig dit is, blijkt als ze op aarde door een agent worden aangehouden en bijna een boete krijgen voor te hard rijden. Monus logeert bij Harms moeder thuis, die al snel aan de maanbewoner gewend raakt. Intussen brengen Harm en professor Andree verslag uit aan de regering. De ministers willen niet geloven dat er maanmensen bestaan. Ze geloven het pas, als ze Monus ook gezien hebben. Monus en de regering besluiten tot samenwerking van de aarde- en maanbewoners om zo de mensen te leren hoe ze verstandig en vredig kunnen leven.
