Persoon/N800856679
Semantic MediaWikiDit bericht verdwijnt nadat alle relevante taken zijn afgerond.

Er is één onvoltooide of openstaande taak, die nodig is om het bijwerken van Semantic MediaWiki te voltooien. Een beheerder of gebruiker met voldoende rechten kan deze uitvoeren. Dit moet worden gedaan voordat nieuwe gegevens worden toegevoegd om tegenstrijdigheden te voorkomen.

Geen bewerkingssamenvatting
 
(Een tussenliggende versie door dezelfde gebruiker niet weergegeven)
ws-page-props
Regel 1: Regel 1:
{{Person
{{Person
|NaamGew=Gérard Labrunie
|NaamBiblio=Labrunie, Gérard
|NaamSoort=Werkelijke naam
|Primair=
|Nat=Frankrijk
|DatumGeboren=22-05-1808
|TerminusAQuo=1808-05-22
|PlaatsGeboren=Parijs, Parijs
|LandGeboren=Frankrijk
|DatumOverleden=26-01-1855
|TerminusAdQuem=1855-01-26
|PlaatsOverleden=Parijs, Parijs
|LandOverleden=Frankrijk
|ID=800856679
|Tabel=tblNaam
|Tabel=tblNaam
|GUID={447D76EE-667A-4A59-9BF9-2274D25B79D5}
|GUID={447D76EE-667A-4A59-9BF9-2274D25B79D5}
|ID=800856679
|Pic=Labrunie-gérard-79405-1742092504.jpg
|NaamBiblio=Labrunie, Gérard
|NaamGew=Gérard Labrunie
|NaamSoort=Werkelijke naam
}}
}}

Huidige versie van 16 mrt 2025 02:35

Geboren te Parijs. Was een Franse dichter en schrijver. Gérard de Nerval was een zoon van de legerarts Étienne Labrunie en Marie-Antoinette Laurent, dochter van een linnenkoopman uit de rue Coquillière in Parijs. Nadat hij op 23 mei gedoopt was in de kerk van Saint-Merri, werd hij enkele maanden later toevertrouwd aan een voedster in Loisy, in de buurt van Mortefontaine, in de Valois. Op 8 juni daaropvolgend nam zijn vader als adjunctlegerarts dienst in het Grande Armée van Napoleon, werd daar al snel bevorderd tot legerarts en op 22 december gedetacheerd bij het Rijnleger. Zijn moeder die haar man gevolgd was op Napoleons Russische veldtocht stierf op 29 november 1810 in Glogau in Silezië. Van 1808 tot 1814 wordt Gérard in Mortefontaine opgevoed door zijn oudoom van moederskant, Antoine Boucher, op het platteland van de Valois en daarna in Saint-Germain-en-Laye en Parijs. In het voorjaar van 1814 keert dokter Labrunie terug in de burgermaatschappij, vestigt zich als arts in Parijs en betrekt samen met zijn zoon een woning in de rue Saint-Martin 72, die regelmatig in een aantal van zijn novellen voorkomt. In 1822 gaat hij naar het Lycée Charlemagne, waar Théophile Gautier een van zijn medeleerlingen is. Daar schrijft hij in de eerste klas (het schooljaar 1823-1824) zijn eerste als manuscript bewaarde veertig pagina’s lange dichtbundel: 'Poésies et Poèmes' par Gérard L. 1824, die hij in 1852 aan Arsène Houssaye schenkt. Hij heeft dan al onder de naam Gérard L. een lofrede geschreven op Napoleon I: 'Napoléon ou la France guerrière, élégies nationales', dat werd gepubliceerd door Pierre-Francois Ladvocat en in 1827 opnieuw werd uitgegeven door Touquet. Het jaar daarop schrijft hij onder het pseudoniem Beuglant de 'Épîtres à Monsieur Duponchel'. In juli 1826 waagt hij zich aan een satire naar aanleiding van het schandaal bij Académie Française, die bij een voordracht de voorkeur geeft aan Charles Brifaut boven Alphonse de Lamartine. Hij schrijft dan de 'Complainte sur l'immortalité de Monsieur Briffaut' en vervolgens een artikel in dezelfde geest: 'L'Académie ou les membres introuvables', wat de reden is dat hij in 1828 wordt afgewezen als deelnemer aan de wedstrijd van de Academie. Op 1 mei 1829 gaat Gérard, om zijn vader een plezier te doen, stage lopen voor een notariaatstudie. Hij doet dat echter met weinig enthousiasme, omdat hij wel wat anders heeft te doen. Als een fervente voorvechter van de romantiek, wordt hij uitgenodigd door Victor Hugo om ter ondersteuning als betaalde toejuicher aanwezig te zijn bij de uitvoering van Hugo’s beruchte toneelstuk 'Hernani'. Een taak waaraan Gérard met zijn flamboyante rode vest gaarne gehoor geeft. Een van de kenmerken van de Kleine Kring is dat de leden zich zeer luidruchtig gedragen, zich te buiten gaan aan drank, grappen en grollen uithalen, woordspelletjes spelen en ongeregeldheden op straat veroorzaken. Het is naar aanleiding van een van die optredens van de groep dat een nachtpatrouille van de politie drie of vier Jonge Fransen arresteren, waaronder Nerval en Théophile Gautier. Tijdens zijn gevangenschap in de gevangenis van Sainte-Pélagie, schrijft Nerval een kort gedicht dat meteen verschijnt in Le Cabinet de lecture van 4 september 1831. Op 2 februari 1832 worden er opnieuw Jonge Fransen gearresteerd op beschuldiging van samenzwering en dit keer duurt hun straf veel langer. Pas na zijn ontslag uit de gevangenis, op 2 april 1832, hoort hij het slechte nieuws: er is een cholera-epidemie uitgebroken. Zijn vader vraagt hem om hem in die drukke periode bij te staan en Gérard kan daar niet onderuit. In 1832 geeft hij toe aan het verzoek van zijn vader, maar tijdens de tweede epidemie in 1849 zoekt Gérard (die zich dan dus de Nerval noemt) zijn toevlucht bij Alexandre Dumas, waar hij Franz Liszt ontmoet. Vervolgens vertrekt hij naar Zwitserland. Bij zijn terugkeer in 1833 stelde Nestor Roqueplan hem de kolommen van zijn tijdschrift, La Charte de 1830, ter beschikking. Een ander vriend (Édouard Georges) had hem echter voorgesteld om samen met hem een roman in afleveringen te schrijven, waarvan de handeling zich zou afspelen in het Bretagne van de boerenopstandelingen (de chouanen). Het snelle succes, dat in 1829 was behaald door de historische roman 'Les Chouans' van Honoré de Balzac, deed Nerval echter aarzelen. Toch gaf zijn verlangen om een bezoek te brengen aan de streek rond Vitré de doorslag en hij keerde terug met het verhaal: 'L'Auberge de Vitré' dat hij later zou gebruiken in de proloog van zijn roman 'Le Marquis de Fayolle', die na de dood van Nerval in 1856 werd gepubliceerd door Édouard Georges, die de tekst omwerkte en voltooide. In januari 1834, na de dood van zijn grootvader van moederskant, erfde hij ongeveer 30.000 francs. Buiten weten van zijn vader vertrok hij naar Italië en bezocht daar Florence, Rome en Napels. In 1835 nam hij zijn intrek in de Impasse du Doyenné bij Camille Rougier, waar regelmatig een grote groep romantici bijeenkwam; in mei van dat jaar werd de Monde dramatique opgericht, een luxueus uitgevoerd tijdschrift, waaraan hij zijn hele erfenis verkwistte en dat uiteindelijk, met grote schulden in 1836 verkocht werd. Nadat hij op die manier zijn debuut had gemaakt in de journalistiek, ging hij van juli tot september samen met Gautier op reis naar België. In december ondertekende hij voor het eerst een artikel van zijn hand in Le Figaro met "Gérard de Nerval". Op 31 oktober 1837 werd de komische opera Piquillo opgevoerd op muziek van Monpou; ondanks de medewerking van Nerval, werd het libretto alleen ondertekend door Dumas; Jenny Colon speelde de hoofdrol. Nerval werd hartstochtelijk verliefd op de actrice Jenny Colon die die liefde echter niet beantwoordde. Volgens sommige deskundigen zou hij haar verafgood hebben, zelfs nog na haar dood en zou zij de figuur van de verloren Moeder zijn, maar ook de ideale Vrouw, die in zijn kenmerkende syncretistische gedachtewereld overliepen in Maria, Isis, en de koningin van Sheba, die in de aandachtsgebieden van Nerval met elkaar wedijverden.Tijdens de zomer van 1838 reisde hij samen met Alexander Dumas door Duitsland om materiaal te verzamelen voor zijn toneelstuk Léo Burckart, de Magiër van Haarlem, een stuk dat door de censuur werd tegengehouden. Na de première op 10 april 1839 van de Alchemist, geschreven in samenwerking met Dumas, werd Léo Burckart ten slotte op 16 april toch opgevoerd in het theater van de la Porte Saint-Martin. In dezelfde tijd publiceerde hij Le Fort de Bitche (25-28 juni) in Le Messager en Les Deux rendez-vous (15-17 augustus), dat later Corilla werd, in La Presse. Daarna reisde hij in november naar Wenen, waar hij in de Franse ambassade de pianiste Marie Pleyel ontmoette. In maart 1840 teruggekeerd in Frankrijk, verving hij Gautier, die toen in Spanje verbleef, als schrijver van een feuilleton in La Presse. Na een derde editie van de Faust, aangevuld met een voorwoord, en het publiceren van fragmenten van de Tweede Faust in juli, vertrok hij in oktober naar België. Op 15 december vond in Brussel de première plaats van Piquillo, waar hij Jenny Colon en Marie Pleyel weer ontmoette. Op 23 februari 1841 raakt hij voor het eerst in een psychotische toestand, waarbij hij verzorgd wordt in het huis van mevrouw Sainte-Colombe, in de Rue de Picpus. Op 1 maart publiceert Jules Janin in Les Debats een necrologie van Nerval. Na een tweede crisis op 21 maart, wordt hij van maart tot november opgenomen in de kliniek van dokter Esprit Blanche, in Montmartre. Op 22 december 1842, vertrekt Nerval naar het Midden-Oosten, en reist achtereenvolgens naar Alexandrië, Cairo, Beiroet, Constantinopel, Malta en Napels. Na zijn terugkomst in Parijs, eind 1843, publiceert hij in 1844 zijn eerste artikelen over zijn reis. In september en oktober vertrekt hij samen met Arsène Houssaye, directeur van L'Artiste, naar België en Nederland. De juni tot september 1845 vervangt hij Gautier, die zich dan in Algerije bevindt, bij La Presse. Zijn 'Voyage en Orient' verscheen in 1851. In een brief aan dokter Blanche, gedateerd 22 oktober 1853, beweerde hij dat hij tijdens zijn reis door Syrië was ingewijd in de mysteriën van de druzen, waarbij hij graad van "Refit" had gekregen, een van de hoogste bij die broederschap. Zijn hele werk is sterk gekleurd door esoterie en symboliek, met name alchemie.Tussen 1844 en 1847, reist Nerval naar België, en Nederland, en van daar naar Londen, waarover hij reisverslagen schrijft. In diezelfde tijd schrijft hij novellen en operalibretto’s en vertaalt daarnaast gedichten van zijn vriend Heinrich Heine (de bundel werd gedrukt in 1848). De laatste jaren van zijn leven brengt Nerval door in armoe en gewetensnood. Dat is de periode waarin hij zijn belangrijkste werken schrijft, die hij tot stand brengt op advies van dokter Blanche, om met zichzelf in het reine te komen: 'Les Filles du feu', en 'Aurélia ou le rêve et la vie' (1853-1854). Op 26 januari 1855, werd hij hangend aangetroffen aan de spijlen van een hek, dat de afsluiting van een riool vormde in de Rue de la Vieille-Lanterne, in de "meest smerige uithoek die hij had kunnen vinden" volgens de uitspraak van Baudelaire. Zijn vrienden brachten de veronderstelling in omloop van een moordaanslag door zwervers, tijdens een van zijn gebruikelijke wandelingen door ongunstig bekendstaande buurten, maar er is zonder twijfel sprake geweest van suïcide. Maar er blijft twijfel bestaan, want hij werd aangetroffen met zijn hoed op zijn hoofd, terwijl het aannemelijk is dat die afgevallen zou zijn door de worsteling die door de verstikking teweeg zou zijn gebracht. Op hem vond men een brief waarin hij 300 francs vroeg, een bedrag dat volgens hem voldoende zou zijn om de winter door te komen. De rouwdienst vond plaats in de kathedraal Notre-Dame van Parijs, een godsdienstige plechtigheid die hem werd verleend ondanks zijn zelfmoord, die werd geweten aan zijn geestelijke toestand. Théophile Gautier en Arsène Houssaye betaalden voor hem de grafrechten op het kerkhof van Père-Lachaise. Overleden te Rue de la Vieille-Lanterne, Parijs