|
|
| Regel 1: |
Regel 1: |
| Geboren te Antwerpen, Antwerpen. Robert Frans Marie (Bob) De Moor was een Vlaams striptekenaar, vooral bekend als medewerker aan Hergés strip ''Kuifje'' en voor zijn reeksen ''Meester Mus'', ''Barelli en Cori, de scheepsjongen''. Bob De Moor studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en begon als animator te werken in studio Afim. In 1945 debuteerde hij met de strip ''Bartje'' in ''De Kleine Zondagsvriend'', op de voet gevolgd door ''Inspecteur Marks'', ''Professor Hobbel'' en meer opzichzelfstaande strips. Hij publiceerde ook in de bladen ''Week-End'' (''Professor Quick'') en in ''<nowiki/>'t Kapoentje'', waar hij ''De Lustige Kapoentjes'' verzorgde. In 1947 verscheen zijn eerste Franstalige album, ''Le Mystère du Vieux Château Fort'', op scenario van John van Looveren. Ook andere Vlaamse magazineverhalen zoals ''Monneke en Johnekke'', ''Janneke en Stanneke'', ''Bloske en Zwik'', ''De Koene Edelman'' en ''Het Leven van J.B. de La Salle'' bleven in omloop. Spoedig verschenen De Moors strips in ''Het Handelsblad'', ''De Nieuwe Gazet'', ''De Volksmacht'', ''Overal: ‘Pum-Pum'', ''Het Wekelijkse Nieuws'', ''De Nieuwe Gids'', ''De Zweep'' en ''Ons Volkske''. In 1949 begon De Moor voor het weekblad ''Kuifje'' te werken waar hij de op Hendrik Consciences boeken gebaseerde strips ''De Leeuw van Vlaanderen'' en ''De Kerels van Vlaanderen'' maakte. Datzelfde jaar lanceerde hij er ook de gagstrips ''Bouboule et Noireaud'' en ''Professeur Troc'' (later ''Monsieur Tric'' of ''Meneer Mus''). De Moor zou de komende jaren ook nog ''Conrad le Hardi'' illustreren en de reeks ''Barelli'' opstartten. Ook zijn meest befaamde reeks ''Cori, de scheepsjongen'' (''Cori, le Moussaillon'') vond hier vruchtbare bodem in 1952, al zou ze pas in 1977 een vervolg krijgen. Cori is in zekere zin De Moors meesterwerk. De verhalen spelen zich af in de 16e en 17e eeuw in het zeevaardersmilieu waardoor zijn passie voor de zee en scheepvaart prachtig tot uiting komt. Andere reeksen die hij nog voor het blad zou tekenen waren ''Pirates d'Eau Douce'' (1959) en vanaf 1965 de gagstrip ''Balthazar''. Vanaf 1950 begon De Moor voor Studio Hergé te werken en werd al gauw Hergés eerste assistent. Hij hield zich bezig met het hertekenen van de oudste Kuifjealbums en verzorgde ook de achtergronden. Enkele van zijn bekende ingrepen zijn onder meer de modernere inkleding van het album ''De Zwarte Rotsen'' en de Beefeaterkostuums voor de wachters in ''De scepter van Ottokar''. Ook de afgeleide merchandisingskunst werd aan hem toevertrouwd. De Moor stak veel tijd in dit werk en het is mede hierdoor dat zijn eigen strips meer en meer in de schaduw van Hergés oeuvre belandden. Voor Jacques Martin tekende hij nog een episode uit diens reeks ''Lefranc'', namelijk ''Het hol van de wolf'' in 1970, en in 1989 werkte hij ''Mortimer vs. Mortimer'' af, het tweede deel van ''De Drie Formules van Professor Sato'' in de reeks ''Blake en Mortimer'' na de dood van Edgar P. Jacobs. Datzelfde jaar werd hij ook artistiek directeur van uitgeverij Le Lombard en mededirecteur van het Belgisch Stripmuseum waar zijn strips overigens ook tentoongesteld staan en hijzelf geroemd wordt als een van de pioniers van de Belgische strip. In 1990 was hij ook artistiek begeleider voor Gilbert Declercq voor zijn stripverhaal ''Jody Barton''. Toen hij in 1992 overleed, werkte zijn zoon Johan De Moor zijn laatste stripverhaal ''Dali Capitain'' van de reeks ''Cori, de scheepsjongen af''. Overleden te Brussel aan de gevolgen van longkanker. | | Geboren in Antwerpen, district Antwerpen. Bob De Moor was een invloedrijke Vlaamse striptekenaar, vooral bekend als medewerker van Hergé aan ''Kuifje'' en als auteur van de reeksen ''Barelli'', ''Meester Mus'' en ''Cori, de scheepsjongen''. |
| | |
| | Na zijn opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen werkte hij als animator bij Studio Afilm. In 1945 debuteerde hij met ''Bartje'' in ''De Kleine Zondagsvriend'', gevolgd door tal van andere reeksen en bijdragen aan tijdschriften als ''’t Kapoentje'', ''Week-End'' en ''Ons Volkske''. |
| | |
| | In 1949 trad De Moor toe tot de redactie van ''Kuifje'', waar hij onder meer ''De Leeuw van Vlaanderen'', ''De Kerels van Vlaanderen'', ''Barelli'' en later ''Cori, de scheepsjongen'' creëerde - zijn meesterwerk, waarin zijn liefde voor zeevaart en geschiedenis duidelijk tot uiting komt. |
| | |
| | Vanaf 1950 werkte hij voor Studio Hergé, waar hij Hergés rechterhand werd. Hij hertekende oudere ''Kuifje''-albums, verzorgde achtergronden en droeg bij aan de modernisering van onder meer ''De Zwarte Rotsen'' en ''De Scepter van Ottokar''. |
| | |
| | Daarnaast werkte hij mee aan ''Lefranc'' (''Het hol van de wolf'', 1970) van Jacques Martin en aan ''Blake en Mortimer'' (''De drie formules van professor Sato'', 1989) van Edgar P. Jacobs. In datzelfde jaar werd hij artistiek directeur bij uitgeverij Le Lombard en medeoprichter van het Belgisch Stripmuseum. |
| | |
| | Bob De Moor overleed in 1992 in Brussel aan longkanker. Zijn zoon Johan voltooide postuum zijn laatste ''Cori''-album, ''Dali Capitan''. |
Huidige versie van 8 nov 2025 11:25
Geboren in Antwerpen, district Antwerpen. Bob De Moor was een invloedrijke Vlaamse striptekenaar, vooral bekend als medewerker van Hergé aan Kuifje en als auteur van de reeksen Barelli, Meester Mus en Cori, de scheepsjongen.
Na zijn opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen werkte hij als animator bij Studio Afilm. In 1945 debuteerde hij met Bartje in De Kleine Zondagsvriend, gevolgd door tal van andere reeksen en bijdragen aan tijdschriften als ’t Kapoentje, Week-End en Ons Volkske.
In 1949 trad De Moor toe tot de redactie van Kuifje, waar hij onder meer De Leeuw van Vlaanderen, De Kerels van Vlaanderen, Barelli en later Cori, de scheepsjongen creëerde - zijn meesterwerk, waarin zijn liefde voor zeevaart en geschiedenis duidelijk tot uiting komt.
Vanaf 1950 werkte hij voor Studio Hergé, waar hij Hergés rechterhand werd. Hij hertekende oudere Kuifje-albums, verzorgde achtergronden en droeg bij aan de modernisering van onder meer De Zwarte Rotsen en De Scepter van Ottokar.
Daarnaast werkte hij mee aan Lefranc (Het hol van de wolf, 1970) van Jacques Martin en aan Blake en Mortimer (De drie formules van professor Sato, 1989) van Edgar P. Jacobs. In datzelfde jaar werd hij artistiek directeur bij uitgeverij Le Lombard en medeoprichter van het Belgisch Stripmuseum.
Bob De Moor overleed in 1992 in Brussel aan longkanker. Zijn zoon Johan voltooide postuum zijn laatste Cori-album, Dali Capitan.