Persoon/4194
Johannes Antonie Visscher geboren in Asch. Gestorven in Groesbeek. Visscher was een zoon van de predikant Rijn Visscher en Anna Hendrika van Embden. Na zijn studie theologie aan de Rijksuniversiteit Leiden ging hij eerst werken in een achterstandswijk in Rotterdam. Hij trouwde op 14 augustus 1903 te Stompwijk met Anna van Duijvendijk, dochter van Pleunis van Duijvendijk en Louisa Carolina Pieternella Lamaison. In datzelfde jaar vertrok hij naar Rottevalle in het veenkoloniale gebied in het oosten van de provincie Friesland. Samen met zijn vrouw trok hij, met een kofferorgeltje in een kruiwagen, door de omgeving van Rottevalle om daar geïmproviseerde kerkdiensten te houden. In het dorpje Houtigehage stichtte hij het gebouw "Noord Jeruël", genoemd naar een wijkvereniging in Rotterdam.[2] Visscher, door de Friese bevolking Fisker genoemd, ijverde voor verbetering van de woonomstandigheden door onder meer de spitketen op de heide te vervangen door woningen met een tuin voor de arbeidende bevolking. _x000D_ _x000D_ In 1909 legde hij zijn ambt als predikant neer om zich te wijden aan landelijke activiteiten. Hij vertrok van Friesland naar Den Haag. Door zijn verblijf in Friesland werd Visscher een overtuigd voorstander van de noodzaak van heideontginning. Hij was de oprichter en tevens directeur en secretaris van de Vereniging Nederlandse Landkolonisatie en Inwendige Zending. De vereniging gaf periodieken uit als Ons Heidewerk en Om en op de Heide. Hij zag hier ook mogelijkheden om dit werk in te zetten in het kader van de reclassering. In 1921 lanceerde hij een plan tot het stichten van een aantal kolonies, waar 'ontredderden' hetzij verpleegd zouden worden hetzij door middel van werkverschaffing een nieuwe kans in de maatschappij zouden krijgen.[3] Op verzoek van het ministerie van Justitie werden zijn ideeën gerealiseerd in kolonies in Opende (Wilhelminahoeve), Vries (Philadelphia) en Beekbergen (Het Hooge Land)[2]. Visscher zelf keerde, na vijf jaar in Den Haag te hebben gewerkt, in 1914 weer terug naar Friesland. Hij was betrokken bij het werk in de gevangenis van Leeuwarden en hij was één van de oprichters van het tehuis voor daklozen Praktische hulp. Van 1914 tot 1923 was hij woonachtig in Drachten en daarna tot 1926 in Leeuwarden. In dat jaar besloot hij zijn ambt van predikant weer op te nemen en aanvaardde een beroep naar Groesbeek. Ook daar bleef hij zich bezighouden met sociale arbeid. Hij richtte de vereniging voor christelijk maatschappelijk hulpbetoon Morgenrood op en de Nederlandse Centrale voor practische werkverruiming en hulpverlening, die bekend werd als de PH.
