Persoon/1410094760
Geboren te Antwerpen. Hij werd als ‘onwettig’ kind opgegeven omdat zijn vader, waarvan geen spoor is terug te vinden, weigerde te huwen. In 1914 studeerde hij af aan de derde en laatste jaar van de lagere hoofdschool. Door familie omstandigheden ging hij niet verder studeren.
In een reactie op een vraag voor bijdragen voor het schooltijdschrift van de Stedelijke Normaalschool voor Jongens “Jonge Tijd” maakte hij, onder de naam Bonafied, zijn debuut. Hij publiceerde er verschillende gedichten in. Via dit tijdschrift kwam hij in contact met de Johanneskring van de latere burgemeester Lode Craeybeckx. Sinds 1916 publiceerde hij verhalen en essays onder de pseudoniemen J. Fikkens, Fikky, Geert Bardemeyer of Lirio in het tijdschrift De Goedendag. In 1919-1920 werkte hij mee met de tijdschriften Staatsgevaarlik en Ruimte.
In 1920 werd hij secretaris van de Antwerpse groep van Clarté, een pacifistische internationalistische liga en werkte mee aan het Clarté-tijdschrift Opstanding en in 1921 werd hij een vaste medewerker van het tijdschrift Vlaamsche Arbeid. Naast dat hij boekhouder was van 1925 tot 1938 bij een Antwerpse diamantfirma verschenen zijn gedichtbundels Vlaamsche Arbeid (1925), De dwaze rondschouw (1926) en zijn chaotische roman De monnik in het westen (1929). Na het verdwijnen van Vlaamsche Arbeid in 1930 ging hij zichzelf anders oriënteren. Hij werd actief in het Antwerpse theatermilieu en schreef tal van toneel- en hoorspelen, die niet zijn uitgegeven. in 1936 richtte hij samen met Geert Pijnenburg het links geöriënteerde humanistisch blad Getuigenis op. Er zouden slechts twee afleveringen verschijnen.
In de jaren 1936 tot 1940 verschenen er verschillende gedichtbundels van hem. In 1938 overleed zijn vrouw en nam hij afscheid van zijn baan bij de diamantfirma, waarna hij begon als secretaris van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen. Begin 1940 werd hij redactiesecretaris van het weekblad Ulenspiegel en in 1941 Werd hij benoemd tot secretaris-hoofdopsteller van de Koninklijke Vlaamse Opera.
In december 1942 werd hij opgepakt door de Gestapo onder beschuldiging van bedreigingen en werd veroordeeld tot 6 maanden cel. Maar hij kwam na het uitzitten van die straf toch niet vrij, onder meer wegens het bezit van illegale vlugschriften, zijn essay Het heilige handvest en vooral een sneer aan het adres van de aan het Oostfront gesneuvelde Reimond Tollenaere. Ze kwamen tot het besluit dat hij helemaal niet deutschfreundlich was, maar eerder deutschfeindlic. Hierna werd hij opgesloten in Antwerpen en Hoei en Vught. 8 september 1944 werd hij op transport gezet naar Sachsenhausen, vanwaar het op 16 oktober naar het concentratiekamp van Neuengamme ging. Op 21 november 19944 sterft hij in het concentratiekamp van Lagelund (het buitenkamp van Neuengamme), Schleswig-Holstein in Duitsland aan de gevolgen van dysenterie. Zijn lichaam werd bijgezet in een massagraf. Hij liet een vrouw en een zoontje achter, dat tijdens zijn gevangenschap was geboren.
