Persoon/N191
Hij was de zoon van de Utrechtse kruidenier en kaashandelaar Reinier 't Hoen en Johanna Masman. Hij begon zijn studie aan de Hiëronymusschool in Utrecht in 1755, maar hij was zo onhandelbaar dat hij op verzoek van zijn ouders op 29 december 1761 voor een jaar werd opgesloten in het verbeterhuis De Vurige Kolom. Hij werd ontslagen uit dit huis in november 1762. In april 1763 trouwde hij met de toen zeventienjarige Annemietje Nihot, dochter van een Leidse textielkoopman. Ze zouden bijna 63 jaar getrouwd blijven en ze kregen vier zonen en vier dochters. Het paar trok in bij zijn ouders op de Neude in Utrecht. Mogelijk heeft hij in het bedrijf van zijn vader gewerkt tot 1777.
Doordat hij zijn studie had afgebroken hield hij zich in zijn vrije tijd bezig met zelfstudie bezig. Daarnaast probeerde hij toegang te krijgen tot de literaire kringen van zijn tijd, wat moeilijk was voor iemand zonder wetenschappelijke referenties. Nadat hij een ode in 1774 had geschreven over de Leidse dichter Johannes le Francq van Berkhey werd hij door hem oner zijn hoede genomen. Hij introduceerde hem in hogere literaire kringen. Samen met twaalf andere amateurs richtte hij de Utrechtse vereniging voor poëzie Volmaakter deur den tijd op. In de volgende jaren werd hij een succesvol schrijver van poëzie (in het bijzonder kinderrijm) en toneelstukken. In 1777 werd hij benoemd tot rentmeester van het Collegium Willebrordi, een internaat verbonden aan de Hiëronymusschool. Hierdoor kreeg hij meer tijd om zich te wijden aan zijn literaire werk. Het bureau gaf hem ook toegang tot de wereld van de Utrechtse regenten en de Utrechtse politiek.
Tussen 1778 en 1780 schreef hij een aantal moraliserende en politieke essays onder het pseudoniem J. A. Schasz, M. D. Hij schreef onder dit pseudoniem ook vier politieke komedies, geïnspireerd door de Amerikaanse Revolutie en de Amerikaanse Revolutionaire Oorlog, met een anti-Britse teneur. Daarnaast verscheen op 20 januari 1781 zijn politiek gekleurde De Post van den Neder-Rhijn, die in de volgende zes jaar een doorn in het oog van het regime van de stadhouder zou zijn. De Post werd gepubliceerd door de drukkersfirma G. T. van Paddenburg en Zoon in Utrecht. Veel van de medewerkers gebruikte pseudoniemen, vanwege het risico van vervolging wegens "opruiing". Het werd een van de toonaangevende Patriottentijdschriften in Utrecht, met een grote politieke invloed.
Hij sloot zich in november 1782 aan bij de Patriotten in Utrecht, vanaf 1783 verenigd in Getrouw voor het Vaderland, een toonaangevende Utrechtse politieke vereniging. In november 1785 werd hij luitenant van de schutterijcompagnie Turkijen. Als zodanig raakte hij betrokken in de exercitiegenootschap-beweging, die een belangrijke rol speelde in de patriotse politiek. De Post publiceerde in die tijd een groot aantal artikelen over deze beweging. Het werd daardoor een van de belangrijkste organen van de patriotse propaganda.
Zowel als journalist als politiek activist werd hij betrokken in het democratiseringsproces van stad en heerlijkheid Utrecht in 1784-1785, wat in augustus 1786 leidde tot het eerste democratisch gekozen stadsbestuur in de Nederlandse Republiek. De aanhangers van de stadhouder, de Orangisten, vormden in december 1785 een rivaliserende Staten van Utrecht, die onder de bescherming van een garnizoen van het Staatse leger, dat herhaaldelijk Utrecht bedreigde, naar Amersfoort verhuisde. Op 9 mei 1787 nam hij met een vijftigtal schutters deel aan de Slag bij Jutphaas om een van die dreigende bewegingen af te slaan. Dit succes werd echter al snel gevolgd door de Pruisische invasie van Holland, waarin Utrecht zonder slag of stoot opgegeven werd. In september 1787 volgde hij de patriotse troepen op hun terugtocht naar Amsterdam. Na de val van Amsterdam op 10 oktober vluchtte hij met zijn familie eerst naar Brussel en later naar het noorden van Frankrijk. In 1789 werd hij bij verstek tot 25 jaar verbanning veroordeeld.
Hij woonde korte tijd in Saint-Omer, Gravelines en Duinkerken en uiteindelijk in Watten in de buurt van St. Omer, waar hij lid werd van een "commune" van andere Nederlandse patriotten, net als zijn collega's Wybo Fijnje en Gerrit Paape. In deze periode bleef hij actief als journalist. Hij begon een nieuw tijdschrift, getiteld Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen. Ook deed hij samen met journalist Joost Vrijdag de redactie van de Duinkerksche historische courant, maar deze ging failliet, volgens Vrijdag vanwege de financiële incompetentie van 't Hoen. Toen de nieuwe Franse regering in 1793 zijn pensioen beëindigde, begon hij een tabaksfabriek en verkocht hij zijn onroerend goed in Utrecht. Hij was in staat om te leven van zijn schrijverswerk. In 1793 gaf hij Kort historisch verhaal en onzydige aanmerkingen over de gesteltenis van Braband.
Ondertussen raakte hij verwikkeld in de interne strijd van de gevluchte patriotten tussen de volgelingen van Johan Valckenaer en Court Lambertus van Beyma en koos de zijde van Valckenaer. Samen met Valckenaer een aantal andere Nederlanders werd hij actief in de Franse revolutionaire politiek als lid van de Jakobijnen in Watten, maar hij hield zich afzijdig van het Schrikbewind van Maximilien Robespierre c.s. Hij volgde het Franse leger dat in november 1794 en begin 1795 de Nederlandse Republiek overrompelde, en hielp mee met de stichting van de Bataafse Republiek door in februari 1795 als secretaris van de Voorlopige Vertegenwoordigers van het Volk van Utrecht in dienst te treden. Dit werd permanent toen hij op 17 maart 1795 secretaris van het Comité van Financiën werd. Op 18 april 1796 werd hij benoemd tot secretaris van het revolutionaire Bataafse bestuur van het gewest Utrecht, waarmee hij Jacobus van Haeften opvolgde.
Intussen had hij ook een nieuw tijdschrift opgericht, De Nieuwe Post van den Neder-Rhijn. Dit weekblad zou tussen 10 maart 1795 en 6 december 1799 verschijnen. In dit tijdschrift publiceerde hij een ontwerp voor een nieuwe grondwet voor de Bataafse Republiek die zeer "unitarisch" was, omdat het voorstelde de federale structuur van de Republiek af te schaffen. Dit was in die dagen een belangrijke kwestie. De strijd tussen de "Federalisten" en "Unitariërs" zou in januari 1798 culmineren in een staatsgreep, die de Unitariërs aan de macht bracht. Hij ondersteunde dit omverwerpen van de politieke orde. Hij werd als gevolg hiervan benoemd tot secretaris van de nieuwe regionale regering, die in 1799 delen van de oude gewesten Utrecht, Holland en Gelderland verving door een Departement van de Rijn. In dezelfde periode bevorderde hij in De Nieuwe Post religieuze emancipatie van protestantse minderheden en rooms-katholieken, die onder de oude Republiek gediscrimineerd werden tegenover leden van de Nederlandse Hervormde Kerk.
In de zomer van 1799 kreeg hij het als secretaris van de departementale overheid druk met defensieve maatregelen in verband met een dreigende invasie van orangistische emigranten uit Duitsland, ter ondersteuning van de Brits-Russische expeditie naar Noord-Holland. Om die reden werd hij gedwongen zijn werk voor De Nieuwe Post te verwaarlozen en hierdoor kwam de uitgave in december 1799 tot een einde.
De grondwetswijziging van 1801 bracht een conservatiever regime in de Bataafse Republiek aan de macht, die in het bijzonder oud-orangisten aantrok. Hij verloor zijn post als secretaris en werd in 1802 gedegradeerd tot commies (ambtenaar). Hij verloor hierdoor zijn politieke invloed en werd weer een gewoon burger. Hij begon weer met het schrijven van toneelstukken, maar stopte in 1806 met zijn literaire werk.
In 1811 slaagde hij erin een post als griffier van het gerecht in Amersfoort te krijgen. Zijn laatste jaren waren moeilijk omdat zowel zijn vrouw (ze overleed in 1826) als zes van zijn kinderen eerder dan hij overleden. Hijzelf overleed op 9 januari 1828 op een leeftijd van 83 jaar.

