Versie door Marcel van der Rijst (overleg | bijdragen) op 2 feb 2025 om 01:03 (Marcel van der Rijst)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Persoon/1906

Geboren te Leiden. Frits Bernard Hotz was een Nederlandse jazztrombonist en schrijver, voornamelijk van verhalen. Hotz volgde de ambachtsschool en daarna enige tijd een middelbare opleiding werktuigbouwkunde aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, maar daar lag zijn belangstelling niet. Daarom stapte hij in 1942 over op de kunstafdeling van dezelfde academie. Ook nam hij trombonelessen, omdat hij jazzmusicus wilde worden. Hij bewonderde vooral de muziek van Paul Whiteman en Bix Beiderbecke. Deze voorkeur voor 'blanke Amerikaanse jazz' van de jaren twintig is hij altijd blijven koesteren. Vlak na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij tuberculose, waardoor hij enkele jaren het bed moest houden en langdurig verbleef in een sanatorium in Frederiksberg nabij Kopenhagen. Van 1949 tot eind jaren zestig speelde hij in diverse jazzbands, waaronder de 'Dixieland Pipers', de 'Hotel Savoy Society Syncopaters' en 'The New Orleans Seven'. Daarnaast was hij jazzrecensent voor het tijdschrift 'Rhythme. In muziekkringen gold Frits Hotz als een van de beste jazztrombonisten van Nederland, die een 'fluwelen toon' aan zijn instrument kon ontlokken. In de loop van de jaren zestig kon Hotz, wiens longen door de tbc altijd zwak waren gebleven, niet meer met kracht trombone spelen, zodat hij stopte als musicus. Hij was ook zeer bijziend en werd aan het eind van zijn leven vrijwel blind. Van 1961 tot 1979 was hij bibliotheekmedewerker bij de Nederlandse Blindenbibliotheek in Den Haag. 'Hotz wilde als jongen al schrijver worden en schreef vanaf de jaren vijftig verhalen. Hij stuurde die pas in 1974 naar een uitgeverij, De Arbeiderspers. De verantwoordelijke uitgever Theo Sontrop wilde ze zonder aarzeling publiceren en nog datzelfde jaar debuteerde hij in het literaire tijdschrift Maatstaf met het verhaal 'De tramrace'. Zijn debuutbundel 'Dood weermiddel' werd enthousiast ontvangen en ook voor de bundels die volgden bleef de waardering zeer groot. Alleen zijn enige roman 'De vertekening' had minder succes, mogelijk doordat zijn kracht vooral lag in het korte verhaal. In 1998 werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend voor zijn totale oeuvre. Op zijn verzoek werd die hem, anders dan gebruikelijk, zonder verdere feestelijkheden uitgereikt op een kleine bijeenkomst bij hem thuis. F.B. Hotz woonde lange tijd aan de Rijnsburgerweg in Leiden en vanaf zijn elfde jaar in Oegstgeest. Hij trouwde in 1956. Vanaf 1959 woonde het echtpaar aan de Mallemolen in Den Haag. In 1961 werd hun zoon geboren. Het huwelijk werd in 1964 ontbonden. Hij keerde toen terug naar hetzelfde huis in Oegstgeest waar hij als kind had gewoond. Tot aan zijn dood woonde hij daar op kamers bij zijn oudere zuster Atie. Hotz' ex-vrouw hertrouwde met zijn beste vriend, de trompettist Serein Pfeiffer (eerder getrouwd met de schrijfster Helga Ruebsamen). Haar tweede huwelijk hield niet lang stand en in 1970 stak zij Pfeiffer dood in een vlaag van waanzin. Zij werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Voor Hotz was het feit dat de moeder van zijn kind een moord had gepleegd (op zijn boezemvriend nog wel) zo traumatisch, dat de rest van zijn leven erdoor werd bepaald. Zijn biografe Aleid Truijens noemt dit Hotz' "oerverhaal". Hierdoor en door zijn toenemende blindheid en andere gezondheidsproblemen ontwikkelde hij zich steeds meer tot een teruggetrokken man, die weinig buiten kwam. Wel had hij de laatste jaren een vriendin, die in 1999 stierf. Daarna ging het met hemzelf ook snel bergafwaarts. Overleden in het Diaconessenhuis te Leiden.