Ik stap over de drempel. Sartorius heeft er een ondergeschikte bijgekregen. Liever was ik in Orsenna tewerkgesteld, in de veilige laboratoria waar kennis zich binnen de grenzen van het redelijke beweegt.
Het laboratorium bestaat uit een grote open ruimte waarvan de hoeken en wanden onzichtbaar zijn in het schemer, waardoor men er, zoals in een kathedraal, de neiging heeft tot fluisteren. In het midden van de ruimte bevindt zich een constructie die alle aandacht opeist.
Hoe dit voorwerp te beschrijven, terwijl ik niets van haar doel of functies begrijp? Hoe het schrikwekkende beeld over te brengen van een kunstwerk, dat in andere tijden had kunnen doorgaan voor een kwaadaardig martelwerktuig, een duivelsobject, het verzinsel van een technocratisch alchemist?
Want in het geometrische hart van deze satanische machine zweeft het naakte en onder het ongenadig witte licht van de lampen slechts in ijle schaduwen geklede lichaam van een jonge vrouw.
'Mijn dochter,' zegt Sartorius, alsof dit een bindend excuus moet zijn voor de machine, voor de uitdrukking van panische angst op het gezicht van de vrouw.
Orsenna: eenstad van dromen, decadentie en illusies.




