De Indische-Nederlandse letterkunde tussen 1870 en 1935, waaruit in dit boek door Rob Nieuwenhuys een keuze is gemaakt, vormt een nogal bont geheel. Het is moeilijk er een lijn in te vinden, en dat is achteraf ook begrijpelijk, omdat juist in deze periode de gehele maatschappijstructeur gewijzigd werd. Zulke perioden van overgang gaan altijd gepaard met gevoelens van onvrede, ergernis en protest. Het is dan ook niet toevallig en ook niet opzettelijk dat een groot deel van de hier opgenomen stukken een geest van kritiek ademt, te beginnen met Carel van Nievelt, culminerend in Bastiaan Veth, doorlopend bij de ethici als Augusta de Wit, Marie C. van Zeggelen, Kartini, en eindigend bij M.H. Székety-Lulofs.
Maar er waren ook anderen voor wie Indië een verrukkelijk land was met een verrukkelijke natuur en een zachte, milde bevolking, zoals voor Robert Vorstman en voor de dichter Jan Prins met zijn evocatie van Bali. Voor iemand als Louis Couperus was Indië verbonden aan een gelukkige kindertijd. We danken er verschillende prachtige bladzijden aan, zoals het hier opgenomen 'Kindersouvenirs'.


