Geboren in Berchem, Antwerpen. Raymond Karel Maria de Belser (Ward Ruyslinck) was een Vlaams dichter en romanschrijver. Hij was de zoon van Leo De Belser en Germaine Nauwelaers. Zijn vader was bibliothecaris bij een oliemaatschappij en Ward Ruyslinck groeide op in een rooms-katholiek gezin. Op 12-jarige leeftijd had hij een roman geschreven, Vaargeulen. Zijn vader, die zelf de roman Gepantserde Beschaving schreef, stuurde de roman van zijn zoon naar Stijn Streuvels, die de roman ongelezen maar met een begeleidende brief vol aanbevelingen terugstuurde. Het manuscript ging verloren tijdens een luchtaanval in 1943, waarbij hun huis werd verwoest. Hij schreef een aantal gedichten en verhalen, waarvan sommige werden gepubliceerd in het dagblad Het Vlaamsche land. Studeerde Germaanse filologie 1914-1948 te Gent, maar brak zijn studie af.
Tijdens de oorlog verhuisde het gezin naar Mortsel en in 1943 werd hun woning vernield bij het Bombardement op Mortsel. Na zijn humaniora wilde Ruyslinck Germaanse filologie te Gent studeren. Een week voor aanvang van zijn studie overleed zijn oudere broer in 1948 aan een acuut longoedeem. De jonge Ruyslinck schreef tijdens zijn wake aan het doodsbed van zijn broer vijf gedichten, de cyclus In memoriam fratris. De herinneringen aan de beelden van zijn stikkende broer in zijn doodsstrijd beletten hem zich te concentreren op zijn colleges. Na één jaar besloot hij met zijn studie te stoppen.
Hij werkte als vertaler voor een reisbureau en bij een oliemaatschappij. In 1953 trad hij in dienst van de Stad Antwerpen bij het Museum Plantin-Moretus, wat hem voldoende inkomen gaf om te schrijven. Hij trouwde met Alice Burm en ze kregen één zoon, Chris. Hij brak in de jaren vijftig vooral door als roman- en novelleschrijver met De ontaarde slapers en Wierook en tranen, allebei aanklachten tegen de oorlog die zijn jeugd heeft vernietigd.
Hij behoorde eind de jaren zestig en begin de jaren zeventig tot de groep van auteurs die werden uitgegeven door Angèle Manteau. Hij was een veelgelezen auteur, ook onder humaniorastudenten (voornamelijk met voornoemde werken en Het reservaat). Tot dezelfde groep schrijvers rond Manteau behoorde Jos Vandeloo. Ruyslinck werd door zijn bewonderaars genoemd als een Belgische kanshebber op de Nobelprijs voor de Literatuur naast Louis Paul Boon en Hugo Claus.
In de jaren 60 en de jaren 70 reisde hij naar Polen, de Sovjet-Unie, Canada en Argentinië om daar artikels over te publiceren in tijdschriften. In 1975 werd hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren. In de jaren 1987 en 1995 was hij er voorzitter van, na het jaar ervoor de functie van ondervoorzitter te hebben bekleed. In 1980 ontving hij de eerste Europaliaprijs voor zijn hele oeuvre.
Werk van hem is vertaald in zestien talen (vooral Duits en Engels). De stille zomer (1962) en Wierook en tranen (1958) zijn verfilmd en onder andere De ontaarde slapers (1957) en Het reservaat (1964) zijn voor toneel bewerkt. Hij was in de twintigste eeuw een van de meest gelezen en bestverkopende auteurs van het Nederlands taalgebied.
Ward Ruyslinck ging in 1984 met pensioen. Nadat zijn echtgenote in 1990 zelfdoding had gepleegd (nadat hij had besloten bij haar weg te gaan), ging hij in Meise samenwonen met zijn maîtresse Monika Lo Cascio met wie hij in 1992 in het huwelijk trad. Ward Ruyslinck en Monika Lo Cascio schreven in 1992 samen de autobiografische roman De speeltuin.
Overleden te Meise, Halle-Vilvoorde, Vlaams-Brabant in een rusthuis aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer.
